Jezus is waarlijk niet opgestaan

Volgens Eduard J. Bomhoff is Jezus op 5 april 33 uit het graf opgestaan. Deze overtuiging stoelt op een verbluffend naïeve bijbelinterpretatie, meent Herman Philipse.

Een wijs mens laat de kracht van zijn overtuiging afhangen van het bewijsmateriaal'', schreef de filosoof David Hume in de achttiende eeuw. Helaas schendt Eduard Bomhoff deze grondregel van het zindelijk denken in zijn column over wonderen in deze krant van 2 juni. Een argeloze lezing van het Nieuwe Testament brengt Bomhoff tot de opvatting dat Jezus op zondag 5 april 33 lichamelijk opstond uit zijn graf.

Bomhoffs overtuiging moet krachtig zijn, want hij hakt in op dominee C.A. ter Linden, die het wonder van de lichamelijke opstanding op 14 april in deze krant had geloochend. Ter Linden wordt geïntroduceerd als de `niet zo grote ds. C.A. ter Linden' en beticht van een ,,aanmatigende en intolerante opstelling'' en een ,,ronduit onbeschaamde mening''. Aan welk bewijsmateriaal ontleent de econoom het recht om zo onbeleefd zijn gelijk te halen buiten zijn vakgebied?

Ter Linden en Bomhoff verschillen van mening over twee kwesties: (1) hoe moet men de opstandingsverhalen in de bijbel interpreteren? en (2) is het wonder van de lichamelijke opstanding van Jezus uit het graf werkelijk geschied? Zowel bij Bomhoff als bij Ter Linden hangen de antwoorden op deze vragen nauw samen, want ze gaan er beiden vanuit dat wat in de bijbel staat over de opstanding waar is. Ter Linden meent over (2) dat wonderen niet mogelijk zijn. Daaruit concludeert hij ad (1) dat de bijbelschrijvers niet werkelijk geloofden dat Jezus lichamelijk opstond uit het graf.

Bomhoff gaat uit van het evangelie van Marcus, waarop de andere drie evangeliën gebaseerd zijn. Daarin staat dat de twee Maria's het graf van Jezus leeg aantroffen en dat Jezus na zijn aardse opstanding verscheen aan allerlei personen. Bomhoff meent dat de getuigenis van zoveel mensen een voldoende bewijs is voor de stelling dat het wonder van de lichamelijke opstanding uit het graf werkelijk heeft plaatsgevonden (vergelijk 1 Cor. 15:1-8).

Maar waarom zou men er van uitgaan dat wat in de bijbel staat waar is? Men moet, denk ik, de bijbel-exegetische vraag (1) en de historische vraag (2) min of meer los van elkaar behandelen. Het is toch mogelijk dat de bijbelschrijvers geloofden in de lichamelijke opstanding uit het graf, terwijl deze opstanding nooit heeft plaats gehad? De evangelisten moesten bij het beschrijven van deze gebeurtenis immers, evenals wij, vertrouwen op getuigenissen.

Het is jammer voor Bomhoff dat hij niet werkt aan een echte universiteit. Dan had hij voordat hij iets schreef over een hem onbekend vakgebied een bevriend collega kunnen raadplegen. Over de bijbel-exegetische vraag (1) belde ik H. J. de Jonge, Leids hoogleraar in de uitlegging van het Nieuwe Testament. Deze schetste mij de ontwikkeling van het opstandingsgeloof van voor de tijd van Paulus, de vroegste christelijke bijbelauteur, tot Marcus, de eerste evangelist. Conform het joodse geloof in de martelaarsopstanding was Paulus van mening dat Jezus drie dagen na zijn dood in de hemel was opgestaan met een nieuw, eeuwig, en fijnstoffelijk lichaam. In die opvatting past niet de gedachte van een leeg graf want het aardse lichaam blijft in het graf achter. Marcus interpreteerde dit hemelse opstandingsverhaal in overeenstemming met de Grieks-Romeinse culturele matrix van een opstanding met het aardse lichaam: Jezus zou, net als Hercules, Aeneas, en Romulus, met zijn aardse lichaam naar het hiernamaals vertrokken zijn, zodat er een leeg graf achterbleef. We vinden het verhaal van het lege graf dan ook niet bij Paulus, maar wel bij de evangelisten.

Bomhoffs bijbelinterpretatie is verbluffend naïef omdat hij noch rekening houdt met de historische ontwikkeling van het Nieuwe Testament noch met de culturele matrix waarin de bijbelschrijvers opereerden. Des te zotter is het dat hij het volgende verwijt slingert naar het hoofd van ds. C. A. ter Linden: ,,het negeren van de traditie is al gevaarlijk – en in strijd met de geloofsbelijdenis – maar ronduit onbeschaamd is de claim van Ter Linden dat dan toch de heilige Paulus het wèl met hem eens is.'' Want Bomhoff beseft kennelijk niet hoe tradities werken met voortdurende betekenisverschuivingen en de opvatting van Paulus (geen opstanding met het aardse lichaam) ligt dichter bij die van Ter Linden dan bij Bomhoffs dogmatische geloof in de lichamelijke opstanding op aarde. De verschijningen van Christus waar Paulus over spreekt (1 Cor. 15: 4-8) waren gebruikelijk bij martelaarsopstandingen in de joodse traditie: ze moesten bewijzen dat de martelaar in de hemel met een eeuwig lichaam was opgestaan. Dat kunnen dus heel goed verschijningen voor het geestesoog zijn geweest, meent zowel De Jonge als Ter Linden.

Wat betreft de tweede vraag, of de lichamelijke opstanding van Jezus uit het graf in feite heeft plaatsgevonden, zodat de christelijke God hier een wonder heeft verricht, beschuldigt Bomhoff ds. Ter Linden van ,,een fout die al terug gaat tot David Hume''. De fout zou erin bestaan ,,de verhalen over de opstanding te plaatsen tegen de achtergrond van de wetten van de natuur die nu eenmaal geen miraculeuze uitzondering toestaan''. Maar als er een God bestaat, zegt Bomhoff, zou deze het op prijs kunnen stellen ,,om bij zeldzame gelegenheden te interveniëren in de wetten van de natuur''. De bijbelteksten over de opstanding van Jezus bevatten volgens Bomhoff voldoende bewijzen dat dit op 5 april 33 het geval is geweest. Ook hier begeeft Bomhoff zich met verfrissende bravoure op een hem onbekend vakgebied, dat der wijsbegeerte. En ook hier slaat hij de plank volledig mis.

De reden is dat Hume wonderen eveneens definieerde als ingrepen van God in de loop van de natuur. Maar Hume besefte dat we bepaalde gebeurtenissen alleen kunnen gebruiken als bewijs voor het bestaan van een godheid, of voor de goddelijke affiliatie van Jezus, indien ze werkelijk wonderbaarlijk zijn. Dat wil zeggen uitzonderingen vormen op het natuurlijke verloop der gebeurtenissen. Een gebeurtenis kan dus louter als wonder worden beschouwd als ze wetenschappelijk onverklaarbaar is of, zoals Hume zegt, in strijd is met de wetten van de natuur.

Op grond van dit criterium ontwikkelde Hume in On Miracles een argumentatie die volgens hem aantoont dat geloof in wonderen nooit redelijk kan zijn. We moeten ons twee dingen afvragen. Hoe waarschijnlijk is het dat de traditie die ons van wonderen bericht betrouwbaar is? En hoe waarschijnlijk is het dat de wonderbaarlijke gebeurtenis zelf plaatsvond? Dit laatste moet volstrekt onwaarschijnlijk zijn, anders kan de gebeurtenis niet als wonder gekwalificeerd worden. Het probleem is nu dat de onwaarschijnlijkheid van de gebeurtenis waarover een traditie bericht, de geloofwaardigheid van die traditie onwaarschijnlijk maakt. Daarom kunnen we aan een traditie die over wonderen bericht hoogstens geloof hechten indien we op andere gronden weten dat deze traditie absoluut betrouwbaar is. Hume formuleert de moeilijkheid als volgt: we mogen alleen vertrouwen op de traditie indien de onbetrouwbaarheid van die traditie een groter wonder zou zijn dan de gebeurtenis waarover de traditie bericht.

Aan dat vereiste is natuurlijk nooit voldaan. Hume somt vele factoren op die ons aan zo'n traditie moeten doen twijfelen. Alle hedendaagse getuigenissen over wonderen die wetenschappelijk zijn onderzocht, blijken bedrieglijk te zijn. Mensen houden van sterke verhalen en hebben een neiging tot bijgelovigheid. Het waanbeeld een wonder te aanschouwen streelt de ijdelheid: men voelt zich uitverkoren. Getuigenissen over wonderen zijn dus allerminst belangeloos; ook komen ze typisch van weinig ontwikkelde mensen. Bovendien is er een extra probleem als we wonderen willen gebruiken ter adstructie van een bepaalde religie. Want religies sluiten elkaar uit en ze beroepen zich alle op wonderen. Hoe kan Bomhoff dus verantwoorden dat hij gelooft in het wonder van Jezus' lichamelijke opstanding maar niet gelooft in de wonderlijke genezing van een blinde in Alexandria door het speeksel van keizer Vespasianus, waarover Tacitus bericht? Tacitus was een uiterst kritische historicus en een tijdgenoot van de keizer. Kortom, geloof in wonderen op grond van een traditie is altijd irrationeel. Des te opmerkelijker dus dat Bomhoff zegt dat het negeren van de traditie altijd gevaarlijk is.

Herman Philipse is hoogleraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit Leiden.