Het ultieme minimalisme

Het meest overkomt het artsen en tandartsen. Ze zijn op een gezellige bijeenkomst waar niet iedereen weet wat ze voor de kost doen. Ze ontmoeten zo'n niet wetende en zijn zo onvoorzichtig hun beroep te onthullen. Voor ze het weten staat de nieuwe kennis op zijn borstkas te drukken of in zijn open mond te wijzen. Bankiers worden om beleggingsadvies gevraagd, architecten tegenwoordig wat ze van het wilde wonen denken. In het informele leven is geen deskundige meer veilig. Erger moet het nog zijn voor degenen van wie wordt aangenomen dat ze macht uitoefenen, en natuurlijk voor de bekenden en de beroemden. Die kunnen buiten de eigen kring zonder bescherming geen stap meer verzetten. Voor journalisten valt het mee. `Ik las laatst zo'n aardig stukje van u. Waar ging het ook weer over?' De schrijver weet het ook niet meer, en dan kan er een ander onderwerp worden aangesneden.

Al tientallen jaren wacht ik op de kans om een deskundige aan te spreken die mij het volgende raadsel kan uitleggen. Ik zit in een rijdend voertuig. We naderen de plaats waar moet worden gestopt, we gaan langzamer en langzamer en we komen tot stilstand. En dan gaat dit voertuig weer een heel klein eindje achteruit. Zonder dat het ergens tegenaan is gebotst. Hoe komt dat. Nooit in een sociale circuit loop ik een natuurkundige tegen het lijf. Of gebeurt dat wel, dan vergeet ik het te vragen. Ik martel mijn hersens af, telkens weer, die één of twee seconden nadat we tot stilstand zijn gekomen. Ik zal mijn ongetwijfeld onnozele hersenwerking niet beschrijven. Het eureka! laat op zich wachten.

Zo is er nog iets dat ik graag verklaard zou zien, op taalkundig gebied. Dat is het vraagstuk van een toenemende tegenstelling waarvoor ik, aan het einde van deze beschrijving en poging tot verklaring, een naam zal voorstellen. Aan de ene kant zien we al heel lang, waarschijnlijk sinds het begin van de talkshow op de televisie, een drang tot het zoeken naar steeds nieuwe superlatieven. Het is begonnen met Mies Bouwman. Ze wenste ons niet een goede avond toe, maar een hele fijne avond. Fijn is beter dan goed. Heel fijn: je moet er niet aan denken dat je dat iedere avond overkomt. Al jaren en jaren kan een mens voor dit medium (en de radio) geen bijvoeglijk naamwoord uitspreken, zonder het vooraf te laten gaan door heel of ontzettend.

Ook al weer een jaar of twintig geleden werd het bevestigend ja vervangen door absoluut! En in de Tweede Kamer door Daar zeg ik een volmondig ja tegen. Mijn indruk is dat absoluut! zijn beste tijd heeft gehad. Dit betekent niet dat het ja kortweg terug is. Graag verpakt men de bevestiging in een omhaal van woorden. Ik mag wel zeggen dat ik het hier grondig mee eens ben, of sterker, onze denkbeelden lopen hier naadloos parallel. Dit lijkt mij de ultieme oplossing. Alle superlatieven wijken voor ultiem. Neem een willekeurige krant en begin te turven. Wat zeiden we vóór we dit woord hadden ontdekt?

Met de ontkenning is het dezelfde kant op gegaan als met de bevestiging. Als u toch aan het turven bent, let dan ook op de frequentie van helemaal niet, op plaatsen waar ook niet had kunnen staan – ja, zelfs niet krachtiger was geweest dan dit opgevoerde niet. Hoeveel meer niet dan niet is helemaal niet? Voor mijn gevoel heeft helemaal niet de toon van een agressie bij voorbaat, vergelijkbaar met wat in de militaire strategie de pre-emptive strike wordt genoemd. (Helemáál niet!) Hetzelfde geldt trouwens voor die manoeuvre in het gesprek, die begint met Hoezo? Bijvoorbeeld: `Hoezó geen kermis op de Dam!' De kopstoot als openingszet in de conversatie.

En nu het merkwaardige. Naast deze postmoderne drang tot het overtreffen van het superlatief, zien we de ontwikkeling van het tegendeel: het afzwakken der beweringen. Op zeker ogenblik hebben de Britten ons aangestoken met hun understatement. Daaruit is een hardnekkige mode ontstaan, die zich in een reeks van gemeenplaatsen heeft gevestigd. `Dit plan verdient geen schoonheidsprijs.' Dat bedoel ik niet. Het gaat me om uitdrukkingen als nauwelijks zinvol, vrij ernstig, tamelijk catastrofaal, weinig effectief, nogal ultiem, enzovoorts. Allemaal vage doseringen die aan een woord met een volstrekte betekenis worden toegevoegd. Hoeveel zijn nauwelijks, vrij, tamelijk, weinig en nogal? Wat stellen we ons bij een tamelijke catastrofe voor? De Britten doen het met hardly maar dat woord hoort weer tot hun cultuur van het understatement; bij ons tot die van de consensus.

Luister naar een gemiddeld vraaggesprek van een gemiddelde interviewer met een gemiddeld scheppend mens – op de radio of de televisie, maakt niet uit. Turf de aarzelingen, de uh-uh's, het postmodern stotteren, de zeg maar's en de nou, gewoon's en stel daartegenover, aan de creditzijde de heel's, de ontzettend's en de ultiem's. Er schuilen twee zielen in de borst van de mensen, ze stommelen van aarzeling tot aarzeling naar een plotselinge ontploffing van het eigen ik. Het is de polariteit van het ultimatisme en minimalisme. Of: in iedere ultimatist schuilt een minimalist.