Hemel voor zieke bejaarden

De kerken lopen leeg, maar steeds meer Nederlanders gaan op bedevaart naar Lourdes. Het Franse genadeoord is een succesvol product. `Niet alleen de zieken zijn zoekende, ook gezonde mensen.'

`Zeg Trudy, heddegij Martha en Lei gezien?''

Een in smetteloos wit gestoken verpleegster antwoordt opgewekt: ,,Nee, maar ze zijn er zeker, ze gaan elk jaar mee.''

Op perron 6 van het station van Maastricht is het een grote drukte. Het is zondag 3 juni laat in de middag en zo direct vertrekken de twee nachttreinen van Limburgse Bedevaarten naar Lourdes met zo'n 800 mensen die daar een week zullen blijven.

Iedereen wil de trein in. In de eerste plaats veel pelgrims, mensen die een bedevaart maken naar de grot in Lourdes. Verder invaliden in rolstoelen en zieken die in een rijdend bed vervoerd worden. Onder hen en de pelgrims zie je veel oudere mensen en dan vooral oudere dames. Ook tientallen verpleegsters, artsen en talloze mensen van `de clan', mannen en vrouwen in padvinderskostuum. En natuurlijk een handjevol katholieke geestelijken. Deze keer niet bisschop Wiertz, die komt morgen met het vliegtuig. En ten slotte de brancardiers waar ikzelf voor de gelegenheid toe behoor, mannen die onder meer de zieken zullen vervoeren tussen het ziekenhuis en de kerken.

Een kwartier voordat de trein vertrekt, duikt plotseling de beruchte televisiemaker Willibrord Frequin op met een camera- en een geluidsman. De heer Dols, directeur van de Limburgse Bedevaarten, de stichting die al tachtig jaar reizen organiseert naar het Franse genadeoord, vertelt later: ,,Net voor vertrek kregen we een telefoontje van dat SBS6-programma van Wendy van Dijk. Er was een erg zieke vrouw van 42 die nog eenmaal Lourdes wilde bezoeken. We hebben haar late verzoek ingewilligd, maar wij zeiden wel, zoals altijd als iemand hoopt op genezing: u kunt er steun vinden, maar geen genezing. We verwachtten Wendy van Dijk, en opeens stond daar een duidelijk aangeschoten Willibrord Frequin. We zijn er ingeluisd!''

Een kwartier na vertrek knettert uit de oude luidsprekers religieus gezang. Maar in de coupés zitten mensen die met duidelijk plezier kaarten, snoepen en Story en Privé lezen. In het rumoerige buffetrijtuig wordt een pintje gedronken en staat het blauw van de rook. In een van de coupés moppert iemand vrolijk: ,,M'n wiefke heeft al zoveel jaar gezeurd om naar Lourdes te gaan.''

Iedereen in de trein die aan het werk is, is vrijwilliger. De verpleegsters, de artsen, de brancardiers en de mensen van de clan. Deze clanleden zijn ex-verkenners van tussen de dertig en vijftig jaar. Ze houden zich vooral bezig met de organisatie en zijn te herkennen aan hun bruine broeken en kaki-overhemden vol opgenaaide insignes. Zonder uitzondering stralen ze een opgeruimde daadkracht uit. Steeds opnieuw gaan ze rond met grote kannen koffie en thee. Dols: ,,Wat betreft aantallen gaat er voor elke zieke één vrijwilliger mee. Zonder al die gemotiveerde en enthousiaste vrijwilligers zou het onbetaalbaar zijn voor de meeste zieken. En dat zou sneu zijn, want voor hen is het iets waar ze het hele jaar naar uitkijken.''

In de trein zit ook Herman Donners, een 61-jarige chemicus van DSM die na de overwinning op zijn vijf jaar durende depressie ,,iets zinnigs probeert te doen voor de medemens''. Zijn geloof is abstracter dan dat van de gemiddelde bedevaartganger. Donners: ,,Mijn hele geloof past op de zijkant van een lucifersdoosje: wees goed voor anderen en voor jezelf. Dat is het. Er zitten hier in de trein mensen die ziek zijn en pijn hebben en die in Lourdes kracht en troost vinden. Als ik ze daar een beetje mee kan helpen door brancardier te zijn, dan doe ik dat graag.''

In dezelfde coupé zit het middelbare echtpaar Twan en Thea. Zij gaat mee voor een speciale reden. Met een aandoenlijk zachte g fluistert Thea: ,,Ik kreeg zo'n tien jaar geleden kanker en toen heb ik beloofd dat ik Ons Lief Vrouwke in Lourdes elk jaar zou gaan bedanken als ik weer beter zou worden. Toen ik beter werd, ben ik meteen gegaan. Ik had gelijk het Lourdes-virus te pakken. Het is een bepaald gevoel, ik kan het niet omschrijven, je hebt het of je hebt het niet. Ik ga twee keer per jaar. Je moet voor Maria openstaan, het is zo indrukwekkend!'' Als we de volgende ochtend Lourdes binnenrijden zal Thea plotseling volschieten.

Ik vraag me af of ik het ook zal voelen, dat Lourdes-gevoel. Natuurlijk is het een goed idee om zieke mensen te helpen wat steun te vinden. Daarom ben ook ik hier. Maar zal ik dat Lourdes-gevoel krijgen? Aanvankelijk is mijn houding: overtuig me maar. Pas later begin ik het een beetje te begrijpen. Met deze instelling vol twijfel en achterdocht kom je er niet, leggen de Lourdes-gangers me uit. Je moet eerst geloven, en dan zal je het zien, dán zal je het Lourdes-gevoel krijgen. Niet omgekeerd.

Lourdes blijkt een stadje te zijn dat ligt aan de rand van de Franse Pyreneeën. Per jaar heeft het zes miljoen bezoekers (van wie zeker meer dan honderdduizend uit Nederland) die in 320 hotels overnachten. Alleen Parijs trekt in Frankrijk meer toeristen. Het centrum waar de meeste hotels liggen is vergeven van de souvenirwinkeltjes die geconcentreerd zijn rond wat hier `de heiligdommen' genoemd worden: enkele oude en nieuwe kerken, een gigantisch hospitaal voor de zieken, en natuurlijk de grot waar het allemaal om begonnen is. Daar zou het ongeletterde, veertienjarige meisje Bernadette in 1858 verschillende malen de maagd Maria hebben ontmoet. Niet ver van de grot stroomt woest het kristalheldere smeltwater van de rivier de Gave en rondom dit alles torenen de zonovergoten bergen. Alles bij elkaar een idyllische ansichtkaart.

Volgens Dols gaan er elk jaar meer mensen mee met de treinen, de bussen en de vliegtuigen. ,,Je kan spreken van een opleving, ik merk dat gewoon aan de aantallen. Ze zitten trouwens niet alleen in de hotels, er zijn hier ook nog eens zo'n twintig kampeerterreinen. Je merkt dat mensen zoekende zijn en niet alleen de zieken, ook gezonde mensen. Ze gaan in Nederland niet meer naar de kerk, maar ze gaan wel in grote drommen naar Lourdes. Iedereen wil met ons mee. Voor drukke mensen hebben we nu ook een vierdaags vliegarrangement en dat was binnen no time volgeboekt. Het is een nieuwe markt die we met dit, als ik het zo mag zeggen, product aanboren. Je moet met je tijd meegaan.''

Mijn eerste taak als brancardier is het vervoer van de zieken van het hospitaal naar de heilige mis in de Bernadette-kerk. Na de mis rijd ik een oude dame in haar rolstoel terug naar het hospitaal. Mij is op het hart gedrukt dat een brancardier ook contact met de zieken moet maken en dus vraag ik hoe ze de mis vond. Mevrouw Peters uit Mill is een kleine vrouw van 82 met een blij gezicht. Ze pakt me met haar beverige handje stevig beet: ,,Oh, zo mooi! Ik ben een eenvoudig boerinneke en dit is zo fijn. Zo'n twintig jaar geleden hebben al die moderne mensen in de katholieke kerk ons geloof verpletterd. We moesten zelf alles zoeken om te blijven geloven. Al die moderne onzin, ook de priesters deden mee. Ze waren vergeten dat alles Jezus, Maria en Jozef is! Als ik Nederlandse artsen vertel dat mijn geloof me helpt, kijken ze me nog steeds aan alsof ik gek ben. Waarom ik hier zo geniet? Hier in Lourdes ervaar ik zoveel liefde. De hemel raakt in Lourdes de aarde. Al die vrijwilligers zijn zo aardig en behulpzaam. De bisschop zei het ook weer net tijdens die mis: liefde is alles.''

Zo zieken rondrijdend op het gebied van de heiligdommen krijg je een goeie indruk van de massa's mensen die hier komen. Naast Fransen en erg veel Italianen en Spanjaarden, zijn er ook veel Vlamingen en Ieren. De indruk die de bedevaartgangers geven is dat ze arm en eenvoudig zijn en van het platteland komen. Er lopen ook wel mondainere types rond, maar die hebben geen zieken bij zich en lijken een toeristische dagtrip te maken. Een brancardier vertelt me: ,,Veel van die toeristen komen hier denk ik in de hoop te zien wat ze gehoord hebben: bizarre taferelen van hysterische katholieken en griezelige zieken die je kwijlend aanstaren.''

Een dag later rijd ik een opgewonden man in een rolstoel terug naar het hospitaal. ,,Meneer, het is een tegenvaller, een grote tegenvaller. Al vanaf het station in Sittard. Het is slecht georganiseerd en het eten is ook niks.''

Maar Meneer Ek (90) uit Elburg, een bedevaartganger zonder Limburgs accent, is vol lof over de ziekenhuismaaltijden. ,,Echt geweldig. Het hoteleten dat ik vroeger in Lourdes at kan hier niet aan tippen. Vanavond hadden we bijvoorbeeld een groot stuk vis met lekkere jus en nieuwe aardappeltjes. Met boontjes en worteltjes, en ook nog sla, en pudding toe. En oh ja, vooraf nog soep. Warm eten, vier gangen en dat tweemaal per dag. En ze komen steeds maar langs of je nog meer wil. Het is echt fantastisch, pure verwennerij. Al die vrijwilligers, 't zijn schatten.''

Hij heeft gelijk, alle vrijwilligers zijn zonder uitzondering buitengewoon hartelijk en hulpvaardig. Het moet heerlijk zijn om als bejaarde invalide één week per jaar in het middelpunt te staan en te merken dat iedereen de hele dag voor je klaar staat en vooral bereid is om eindeloos naar je te luisteren.

Meneer Ek: ,,Iedereen is lief voor je. Iedereen zegt hallo, heel gezellig. Daar is het katholieke geloof sowieso erg sterk in: eendracht en liefde voor elkaar.''

Ik vraag hem naar zijn geloof. Meneer Ek: ,,Mijn moeder was jodin, mijn vader protestant, maar ik ben een Maria-fan. Ik ga hier in Lourdes echt niet naar alle kerkdiensten. Ja, het moet ook ontspanning zijn. Voor mij is dit de ideale vakantie. Want een reisvereniging op mijn leeftijd, dat is riskant. Er kan van alles gebeuren met mij, ik ben al negentig. En het mooiste is, er zijn hier zelfs Nederlandse doktoren.''

Toch gaat die eeuwige vriendelijkheid op een gegeven moment wat tegenstaan. Als je iets laat vallen rapen drie mensen het voor je op. Vooral de vrijwilligers van de clan stralen een wat geforceerde blijheid uit. De heilige missen, het zoete, kinderlijke gezang en al die onafgebroken vriendelijkheid geven een onwerkelijk gevoel. Alsof de boze buitenwereld niet bestaat.

Iedereen gedraagt zich zo hetzelfde dat het haast vijandig lijkt om een kritische gedachte te hebben. Toch is dat erg makkelijk. De tientallen souvenirwinkeltjes die allemaal dezelfde kitsch verkopen (het meisje Bernadette als stripverhaal, als sleutelhanger en biddend in zo'n glazen bol vol dwarrelende sneeuw) hebben borden met `Nederlandse winkel' aan de gevel hangen. En elk café verkoopt `Hollandse koffie'. Het ommuurde en bewaakte gebied van de heiligdommen, waar je alleen lopend op mag, lijkt op een pretpark. Maar de attracties hier zijn de grot, de missen en de lichtprocessies. Mensen wandelen gezellig keuvelend rond van het een naar het ander. Overal nemen professionele fotografen foto's van de bezoekers, zoals bij ons als je de rondvaartboot instapt. Er rijdt zelfs zo'n namaaktreintje op rubberbanden rond.

De enige echte vrije tijd voor de brancardiers zijn de twee warme maaltijden in het hotel. De eerste dag zet een vrolijk besnorde vijftiger in spijkerhemd een grote fles Maggi en een flacon frietsaus (merk C1000) op tafel. Iedereen van de brancardierbroederschap kent elkaar en doet veel moeite om mij te doen vergeten dat ik eigenlijk een buitenstaander ben. Het zijn goeie katholieke jongens. Waarom doen zij dit werk? De antwoorden zijn even kort als eenduidig: de zieken helpen. Ja, maar waarom dan? ,,Ach, dat weet ge toch wel? Een stuk invulling van je geloof.''

Na het eten vlug naar de hypermoderne Pius X-basiliek, een immense, betonnen en vooral foeilelijke kerk waar maar liefst twintigduizend mensen in kunnen. Het is net een voetbalstadion. Op de gigantische videoschermen worden alle gezangen met gifgroene letters ondertiteld: `Gloria, gloria in excelsis Deo.'

De mis in zes officiële talen (waaronder Nederlands) is een spektakel, met tientallen feestelijk geklede priesters die met brandende kaarsen achter elkaar schrijden in rijen van twee. Een dame in rolstoel verzucht tegen haar buurvrouw: ,,Ja, het is mooier dan de Olympische Spelen.''

Tijdens de mis zit mevrouw Cuijpers (77) uit Brunssum buiten op een bankje. Ze vergezelt haar zieke schoonzus. ,,Ik ben ook katholiek, maar niet zo overdreven als zij. Ik zeg altijd: zij bidt Onze Lieve Heer van het kruis af. Als ik wil bidden doe ik dat thuis wel. Het Lourdes-gevoel? Ik heb dat niet zo, hoor. Ik hoef niet naar Lourdes om te geloven, want Onze Lieve Heer helpt je toch wel als Hij je wil helpen.''

Op een terras vol Nederlanders zit 's avonds Ties van Brussel (68) die er uitziet als een oude hippie en met verve vertelt. ,,In 1972 kwam ik naar Lourdes met een eisenpakket. Ik wilde dat m'n beenoperaties zouden slagen zodat ik weer kon werken. Als dat zou lukken, zou ik Haar met de fiets komen bedanken. Nou, de operaties en het werk zijn gelukt en sindsdien fiets ik regelmatig naar Lourdes. Het is een speciale plek. Lourdes gaat over Mariaverering. Ik voel me hier als een kind dat naar huis gaat en je moeder staat buiten al te wachten met haar armen wijd open. Je mag er zijn, je wordt hier geaccepteerd precies zoals je bent. Ik kan hier bij de grot soms janken als een klein kind.''

Het Lourdes-gevoel bestaat denk ik uit een combinatie van een compleet georganiseerde vakantie, een week lang optrekken met gelijkgestemde medekatholieken, maar vooral deze Mariaverering. Een beeld van Maria, hier Notre Dame de Lourdes genoemd, staat als enige pontificaal in de grot. Daar en bij de andere overal aanwezige Mariabeelden zie je soms volwassenen huilen als een kind. Het Lourdes-gevoel is overgave en ontroering van een kind bij een moeder die ondanks alles van je houdt, die onvoorwaardelijk liefde geeft. God en Jezus zijn streng doch rechtvaardig, maar Maria is moederlijk en lief en zal je troosten.

In hotel Notre Dame de Lourdes spreek ik diezelfde avond de vrolijke meneer Scheffers (81) uit Meerssen. Het strottenhoofd en de stembanden van deze oud-leraar zijn twaalf jaar geleden weggehaald wegens kanker, en nu praat hij door een gaatje in z'n keel. ,,Je ziet mensen om je heen die het nog slechter hebben en dat relativeert. Je denkt: ach, ik heb het eigenlijk nog niet zo slecht. Ik heb natuurlijk wel eens gedacht: waarom heeft Maria me niet behoed voor mijn keelkanker. Ik weet het niet. En de mensen die zeggen dat ze het wel weten, die weten het volgens mij ook niet.''

De laatste dag ga ik nog één keer naar de grot. Dit keer op aanraden rond één uur 's nachts. De hoofdingang is gesloten en ik moet er via een slingerend bospad komen. Voor de eerste keer is het er rustig, maar er zijn nog genoeg mensen met kaarsen om het een sprookjesachtige aanblik te geven. Ik sta naast een jong echtpaar met tussen hen in een jonge jongen die ligt te slapen in zijn rolstoel. Op een bepaald moment gaat eerst de man en daarna de vrouw op de knieën, ze vouwen hun handen en beginnen te bidden. Ik durf er niet echt naar te kijken. Na een minuut hoor ik dat de man zachtjes begint te snikken. Mijn nekharen staan recht overeind. Ik heb plotseling een verschrikkelijke brok in mijn keel en gevoelens van paniek en schaamte overvallen me. Hier kan ik niet tegenop. Alle gedachten aan spot en je superieur voelen zijn ineens weg.

In de trein terug naar Nederland hoor ik dat de zieke vrouw die via SBS6 met de trein meewilde, is overleden in Lourdes.