Grote idealen, kleine belangen

Niemand is bang voor Leefbaar Nederland. De afgelopen weken hebben de media zich collectief geen zorgen gemaakt over de oprichting van de rancunepartij van Jan Nagel en Henk Westbroek. Een politieke eendagsvlieg, een opgeblazen ballon van burgerlijke onvrede, een protestbeweging met louter verongelijktheid als programma – je kunt gerust met je armen over elkaar gaan staan en wachten tot het over gaat. Nagel is geen Nederlandse Berlusconi, Nederland is geen Italië, hoogstens drie zetels. Een enkeling in becommentariërend Nederland zag er nog een lesje voor de gevestigde politiek in, het verwaten Den Haag. Laat ze maar even schrikken daar.

Leefbaar Nederland zal vast geen lang leven beschoren zijn, alleen al omdat de partij haar bestaansrecht ontleent aan een heftige afkeer van het politieke bedrijf. Maar als fenomeen is Leefbaar Nederland veel interessanter dan al die schampere commentaren doen voorkomen. Ze kondigt het definitieve failliet van de linkse politiek aan.

Linkse politiek? Laat ik Frank Köhler er even bijhalen, de Amsterdamse wethouder van GroenLinks die onlangs uit het Amsterdamse college stapte. Köhler was een rampzalig bestuurder, die geen enkel probleem in zijn portefeuille het hoofd wist te bieden, die schijnbaar onaangedaan de Sociale Dienst liet verloederen tot er van bovenaf moest worden ingegrepen, die maar niet wilde begrijpen dat het taxibedrijf waarmee hij stug dooronderhandelde allang veranderd was in een maffiose bende. Uit een recent interview met hem in deze krant blijkt waarom. Köhler is helemaal geen politicus, hij is een man met idealen. ,,Wethouder zijn is mooi, maar als er geen ruimte meer is voor je idealen moet je het kunnen loslaten.'' De schuldige? Het politieke bedrijf. Köhler schetst het beeld van een bevlogen idealist die gefnuikt werd door het gemene wereldje van de gemeentepolitiek, er is zelfs sprake van een complot in Den Haag om hem ten val te brengen. Keer op keer benadrukt hij zijn afkeer van achterkamertjespolitiek, van politici die bereid zijn te onderhandelen, ,,politieke inteelt''. Zijn idealisme is bijna religieus: ,,De vrijheid om voor mensen op te komen inruilen voor een carrière, is als het eerstgeboorterecht verkopen voor een linzenschotel.'' Köhler is geen Esau, hij is een honnête homme in een illusieloze wereld. Zijn aftreden is er het bewijs van: ,,Mijn ouders juichen het allebei toe dat ik door af te treden mijn eigen grens heb getrokken.''

Iedere mislukkeling heeft het recht op zijn eigen uitvluchten. Wat in het geval van Frank Köhler zo pijnlijk is, is dat hij terugvalt op een sleetse linkse retoriek die niets anders is dan morele zelfgenoegzaamheid. Köhler was zo'n bevlogen idealist dat één klein detail aan zijn aandacht ontsnapte: de werkelijkheid. Maar wat is de werkelijkheid vergeleken bij al die bevlogenheid? Je ziet dat wel vaker bij hevig linkse mensen die in het verleden een puinhoop hebben veroorzaakt, of jarenlang tegen beter weten in een moorddadig regime hebben gesteund – naast wat obligate kanttekeningen blijft de ondertoon van hun verdediging toch: ik heb tenminste ergens in geloofd, ik heb idealen gehad.

De mannen van Leefbaar Nederland hebben geen idealen. Ze willen geen politici die ,,voor de mensen opkomen'', zij zijn de mensen die voor zichzelf opkomen. Hun rancune richt zich tegen de politiek van de grote greep. Waar traditioneel linkse politici als Köhler blind zijn voor alles wat niet past in de maakbare wereld die zij voor ogen hebben, daar zien de verongelijkte Leefbaar Nederlanders van de weeromstuit alleen maar de werkelijkheid. Hun wereldbeeld is ontdaan van ideologie, het zijn materialisten pur sang, in plaats van idealen zijn er alleen nog maar belangen. Hun blik reikt niet verder dan hun achtertuin, ieder scheefgezakt verkeersbord, iedere verwaarloosde groenstrook, elk absurd regeltje van de gemeente, stookt het vuurtje van hun onvrede hoger op.

Het is een benauwde wereld, waarin de verongelijktheid regeert. Het mooist zie je dat aan Henk Westbroek: zijn humor en agressie zijn die van een man die helemaal nergens in gelooft, behalve in zijn eigen woede, bij wie een rood waas voor zijn ogen trekt bij de mooie loze woorden van anderen. Hij vertegenwoordigt de ideologisch ontkerstende Nederlander, de mondige burger die onverdroten opkomt voor zijn eigen belangen, maar die gevangen zit in een werkelijkheid die niets anders meer is dan de werkelijkheid, die geen enkel perspectief meer biedt op verheffing tot een ander, rijker bestaan. Wat rest is een wereld van doodse buitenwijken, geestloos werk en lusteloos overspel – maar allemaal wel goed geregeld.

Zet het wereldbeeld van Westbroek tegenover dat van Köhler en je begrijpt meteen hoe het zit: tegenover de politici van het al te bevlogen ideaal is nu de politicus van het piepkleine detail opgestaan. Köhler haalt zijn neus op voor de werkelijkheid, Westbroek spuugt op de illusie van de politieke belofte. Zo'n overreactie tegen links zie je plotseling overal. Nu bijvoorbeeld duidelijk is geworden dat alle linkse gedroomde illusies over een multiculturele samenleving in werkelijkheid een fatsoenlijk integratieproces grondig hebben gedwarsboomd, staan er ineens kleine onheilsprofeten op die niet verder kijken dan hun eigen straat lang is. De Marokkaanse buurman die zijn vuilnis te vroeg op straat zet, de buurjongen die een homo heeft uitgescholden, het zijn allemaal tekenen aan de wand, wanneer grijpt de politiek nu eindelijk eens radicaal in?

Beide mannen, Westbroek en Köhler, vinden elkaar in hun afkeer van de politiek. De woorden die Köhler in het interview voor het politieke bedrijf gebruikt, zouden zo uit de mond van Westbroek afkomstig kunnen zijn. Zowel de man die voor de mensen op wil komen als de man van de straat die voor zichzelf opkomt, koestert een diepgeworteld wantrouwen jegens beroepspolitici. Die afkeer wordt door steeds meer mensen gedeeld, door mensen die vinden dat de idealen – het geeft niet welke – terug moeten in de politiek, en door mensen die vinden dat de politiek de belangen van de burgers negeert. Aan de ene kant de Groenlinkse politicus die hardnekkig probeert tot voorbij de horizon te kijken, tegenover hem de politicus die alleen zijn eigen straat wil schoonvegen, om te beginnen goedschiks.

Zolang politici van GroenLinks en Leefbaar Nederland openlijk de praktische politiek als in wezen verachtelijk bestempelen, lijkt het me noodzakelijk ze er zo ver mogelijk vandaan te houden.