Een goed jaar?

Inmiddels zijn de eindexamens achter de rug. Leerlingen hebben cijfers gekregen. Dit gebeurde op basis van normen die al dan niet achteraf werden bijgesteld. Vallen de examenresultaten namelijk tegen, dan wil men dat nog wel eens corrigeren door enige soepelheid te betrachten. Iedereen krijgt er dan bijvoorbeeld 0,2 punten bij.

Ongewoon is dit niet. Alle leraren doen dit. Als de resultaten bij een proefwerk tegenvallen, worden die ook vaak bijgesteld: de opgaven bleken ingewikkelder dan vooraf werd gedacht. Daar hoef je je als leraar niet voor te schamen. Hetzelfde geldt voor het landelijke exameninstituut. Ook de examens die daar vandaan komen zijn mensenwerk.

Dat examens meer of minder moeilijk uitvallen dan vooraf werd aangenomen, is onontkoombaar. Wat ik nou niet begrijp is dat dit ieder jaar weer opnieuw leidt tot gehannes met de normen. Als ik het voor het zeggen had, zou ik het heel anders aanpakken en ik ga u uitleggen hoe.

De verschillende vakken hebben, al dan niet terecht, hun eigen cijfertradities. Voor een opstel is een tien een uitzonderlijk cijfer; voor vakken als wis- of scheikunde is een tien veel minder ongewoon. De eerste vraag die we ons moeten stellen is: willen we dat? Willen we dat de verdeling van de cijfers vakspecifiek is, dat voor het ene vak vaker en meer tienen worden gegeven dan voor andere vakken en hoe geldt dit voor alle andere cijfers? Hier zou ik leraren over willen laten nadenken, wat zou moeten resulteren in een conclusie.

Stel dat die zou inhouden dat men vindt dat die verschillen er niet behoren te zijn, dan zou ik als volgende vraag willen stellen: wat is een redelijke verdeling voor de cijfers van leerlingen op het centraal schriftelijk eindexamen? Deze vraag geeft ongetwijfeld aanleiding tot een stroom aan protesten. Het ene jaar wordt het examen Engels, om maar een voorbeeld te noemen, immers beter gemaakt dan het andere.

Deze veronderstelling nu is onzin. Leerlingencohorten zijn van jaar tot jaar grosso modo gelijk. Het zijn geen wijnen die het ene jaar betere klimatologische omstandigheden hebben gekend dan het andere jaar. Leerlingen uit opeenvolgende jaren hebben les gehad van nagenoeg dezelfde leraren uit nagenoeg dezelfde leerboeken; ze zijn gemiddeld genomen even intelligent en ook even vlijtig, ze kennen dezelfde vormen van afleiding, kortom er is geen enkele reden om aan te nemen dat 2001 een beter of minder goed jaar zou zijn dan 2000. Behalve dan dat in die periode het studiehuis werd ingericht, maar daar hebben we het nu niet over. Wij praten over het normeringsbeleid in algemene zin.

Op grond van deze uitgangspunten kunnen we de stap maken naar een vaste normering. De beste x procent krijgt een 10 en zo tellen we verder conform de meetlat die door leraren in het algemeen als redelijk wordt beschouwd. Elk jaar worden er dus even veel tienen, negens, etc. vergeven.

Ik denk dat maar weinigen voor de hier voorgestelde aanpak zullen voelen. Het is allemaal zo mechanisch, heeft zo weinig met mensen te maken, met de verschillen daartussen. Deze emotionele bezwaren brengen met zich mee dat we ieder jaar opnieuw onzinnige discussies zullen houden over de redelijkheid van de normen, over de vraag of die dienen te worden bijgesteld. Ook zullen we moeten leven met de steeds weer terugkerende op niets gebaseerde constatering dat het examen in vak x dit jaar beter of slechter is gemaakt dan vorig jaar. Dat het onderwijs hiervoor kiest, blijft me verbazen.

prick@nrc.nl