Het nieuws van 23 juni 2001

Terrasbabbeltje

Dwarrelend door Den Haag kom ik op een oude damesterras terecht. Keurige Haagse bejaarden babbelen over ene Louise. Louise is oud en Louise is ziek en Louise gaat dood, begrijp ik stiekem meeluisterend vanachter mijn krant, waarin ik lees dat De Beurs naar De Beurs gaat. Louise wordt op korte termijn afgespoten, maar de familie is het nog niet eens over de datum. Mijn oog valt onderhand op een bericht over een Franse mevrouw van 62, die draagmoeder was van een kind van haar broer. Het eitje was niet van de oude dame, maar gewoon geleased van een donoreitjesbatterij. Wanneer Louise afgespoten wordt hangt van haar zoon Henk af. Van de oude cappuccinodames begrijp ik dat Henk een bloeiend bedrijf in de Verenigde Staten heeft en niet zomaar even weg kan. Het ruimen van zijn moeder moet wel in zijn planning vallen. Onderhand lees ik dat ze in Rotterdam nu hartritmestoornissen kunnen verhelpen door een deel van het hart dood te vriezen. Henk zit middenin een fusie of een overname en kan niet makkelijk tijd voor zijn moeder vinden. Een van de dames legt uit dat na de dood natuurlijk ook nog een crematie of een begrafenis volgt. ,,Je bent zo een week verder'', oppert een krasse oma. En ze heeft gelijk. Ik lees dat als Nederland met voetballen wint het hele land condoomloos van bil gaat en er de volgende ochtend een schreeuwende vraag naar morning-afterpillen is. De dochter van Louise, de zus van Henk dus, gaat met Henk praten. Voor Louise is de pijn ondraaglijk, maar zonder Henk wil ze niet dood. En de dokter gaat met vakantie. En Louise wil perse dat haar eigen huisarts het doet. Ik lees in een klein berichtje dat het Bedplascentrum in Meppel is gered.

Het wegen van de ziel

De ziel bestaat. En hij heeft nog een bepaald gewicht ook. Dat werd mij voorgehouden, in alle ernst, en nog niet eens zo lang geleden: middelbare school, midden jaren zeventig, door een godsdienstleraar die geloof en wetenschap graag met elkaar wilde verbinden. Hij vertelde over onderzoek dat was verricht bij stervenden. Er was van alles gemeten. Bij het systematisch aflezen van de weegschaalmetertjes was de geleerden gebleken dat overleden mensen, onmiddellijk na het uitblazen van de laatste adem, nog iets anders kwijtraakten. Maar wat? Veel woog het niet, en je had er precieze apparatuur voor nodig – maar het was duidelijk dat er op dat moment iets verdween. Na het afstrepen van allerlei medische mogelijkheden bleef er maar één plausibele verklaring over: dit moest wel de ziel zijn. Die verliet immers zoals bekend onmiddellijk na het intreden van de dood het lichaam om ergens naar boven te fladderen. De metertjes hadden hem voorbij zien komen. De leraar haalde voor de vorm nog wel zijn schouders op, om aan te geven dat hij het ook niet helemaal zeker wist, maar de licht triomfantelijke blik in zijn ogen verried dat hij het maar wat graag wilde geloven: het bestaan van de ziel nu eindelijk wetenschappelijk bewezen, en ook maar meteen gevangen in grammen en kubieke milliliters. Ik geloof niet dat ik het toen geloofde, en ik heb er daarna ook nooit meer iets over gelezen in de vakbladen, maar ik heb het geval wel altijd onthouden: omdat het natuurlijk wel iets had, zo'n poging om iets onmeetbaars toch te willen meten. Als hier al iets bewezen werd, dan niet zozeer het bestaan van de ziel, als wel de kracht van de wens om er in te geloven.