Zonder troost op de trein gezet

Wie een roman of een kort verhaal van Patrick Modiano openslaat, weet zo langzamerhand wat voor universum hij betreedt en welke gemoedsstemmingen hem te wachten staan. Hij zal belanden in een wereld van stilte en van melancholie, in de kronkels van een weggemoffeld, vaak beladen verleden, van waaruit nog slechts zwakke echo's doorklinken tot in het heden. Hij zal besmet worden, die lezer, met onbestemde weemoedigheid, met gevoel voor het tragische in een mensenleven en uiteindelijk belanden in een roes van treurig stemmend, doch niet onprettig onbehagen.

Dat geldt – in eerste instantie althans – ook voor de lezer van Modiano's meest recente roman, La petite bijou, waarin een negentienjarig meisje, in een Parijs' metrostation, haar verdwenen moeder meent te herkennen in een vijftigjarige vrouw met een gele, versleten regenjas. De vrouw lijkt op de foto die het meisje nog van haar moeder heeft: die moeder die haar, zo'n twaalf jaar geleden, vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog, doodleuk met een naamkaartje om haar hals op de trein zette naar verre familie op het platteland, om daarna in het niets te verdwijnen. Die moeder die een mislukte danscarrière compenseerde met filmrollen en cabaretoptredens. Die moeder die achter haar rug la boche (de moffin) werd genoemd. Die moeder die haar dochter liever kwijt was dan rijk.

Na het lezen van La petite bijou begrijp je opeens beter waar Modiano's vorige boek, Onbekende vrouwen, uit voortkwam. Die drie verhalen, waarin de schrijver voor het eerst jonge vrouwen in de ik-persoon liet spreken, waren een vingeroefening, een aanloop tot de poignante, korte roman die La petite bijou is. Stuk voor stuk hadden die jonge vrouwen een vaag problematische verhouding tot hun ouderlijk huis en zochten zij, min of meer uit arren moede, hun heil elders: het zijn zusters van de Thérèse uit La petite bijou. Ze zijn net zo `groen', net zo onzeker en net zo tastend. Net zo schreeuwend eenzaam ook.

Maar waar het beeld van haar zusters vaag, ongrijpbaar en vol gaten blijft, krijgt Thérèse scherpere contouren, een wat duidelijker geschiedenis, een schrijnender verhaal. Tegen het eind van het boek verwoordt ze zelfs expliciet wat ze eigenlijk kwam doen in Parijs, waarom ze een kamer heeft genomen vlakbij Place Blanche: `Je zit hier omdat je voor de laatste keer terug wilde gaan in de jaren, om te proberen te begrijpen. Hier, op de Place Blanche, is alles begonnen. Je bent een laatste keer teruggekomen in je Land van Geboorte, bij het vertrekpunt, om te weten of het allemaal anders had kunnen lopen.' Met het spoorzoeken naar gebeurtenissen uit het verleden is de lezer van Modiano sinds lang vertrouwd geraakt. Steeds weer poogt de schrijver mensenlevens aan de vergetelheid te ontrukken, hen te behoeden voor een definitieve val in de plooien van de geschiedenis.

Ditmaal laat Modiano zijn personage, opvallend genoeg, spreken in sterke termen van ontheemding, van ontworteling, als gold het de verscheurende ervaring van de balling, die zijn geboorteland verliet om zich elders te vestigen; die zich nu afvraagt hoe dat land waar hij terecht is gekomen, er eigenlijk uitziet, of hij niet een ander had moeten kiezen en, vooral, hoe het nu verder moet met zijn leven. Steeds komt Modiano terug op het buitenstaanderschap van zijn personage en daarmee indirect op dat van de schrijver zelf.

Zo ontmoet Thérèse in een boekhandel ene Moreau-Badmaev (Franse moeder, Russische, onbekende vader), die twintig talen spreekt en die in zijn levensonderhoud voorziet door radiouitzendingen te beluisteren, deze te stenograferen en in het Frans te vertalen. Hij vertaalt voor Thérèse een zin uit een Nederlands radioprogramma: `Niet lang geleden slaagden matrozen er in de sirenen, enkele mijlen zuidelijd (drukfout!) van de azoren, te vangen.' Doordat hij alsmaar naar die buitenlandse talen luisterde, schrijft Modiano, `wist hij uiteindelijk niet meer in welk land hij zich bevond'. Niet alleen het geheugen is vergiftigd, ook de ruimte biedt geen houvast meer en dus raapt Thérèse, op haar beurt, een laatste keer haar schamele herinneringen bij elkaar, `zoals een reiziger die tot op het laatst een oude, versleten identiteitskaart bij zich houdt.'

De intense verwarring en innerlijke wanhoop waarnaar met deze mooie metaforen wordt verwezen, komt bij Thérèse voort uit een allesoverheersend gevoel van verlatenheid. Sinds haar moeder haar zonder een woord van troost of uitleg achterliet, balanceert ze op de rand van de afgrond. Nu eens staat ze op het punt in het zwarte gat te buitelen, dan weer roept ze zichzelf tot de orde: il faut couper les ponts!

In deze roman gaat Modiano verder dan ooit: hij strooit zout in de wonde, hamert op de pijn, verwoordt beeldend het verdriet van zijn gekwetste hoofdpersoon; de moeder is als een racepaard dat, met gekneusde enkels, naar het abattoir wordt afgevoerd (geen toeval dus, dat een van de jonge vrouwen uit zijn vorige boek iedere ochtend werd gewekt door paarden die naar het slachthuis gingen), de dochter wordt wakker met moord- en wraakgevoelens. Bitter herinnert ze zich hoe haar moeder haar ooit petite bijou noemde, niet uit liefde, maar omdat dat goed klonk in een film waarin ze samen een rol hadden.

In het universum van Modiano komt er nooit een einde aan het gevoel misplaatst te zijn – in het leven, in de tijd, in de ruimte. Integendeel, de verwarring daarover wordt alleen maar groter en niemand die zich erin verdiept komt er zonder kleerscheuren uit.

Dat was ook wat Modiano zo'n twintig jaar eerder al bezighield: in De si braves garçons, een roman uit 1982, vertelt één van de hoofdpersonen dat hij zijn hele leven tevergeefs zocht naar een meisje dat hij vroeger ontmoette, la petite bijou, de zevenjarige, eenzame dochter van een actrice over wie hij zich regelmatig ontfermde. Zo vervult Modiano in zijn meest recente boek de wens van een van zijn eigen personages. Hij riep haar tot leven en ontrukte haar voorgoed aan de vergetelheid – poignant en met een bijna onmodianeske, schrijnende felheid.

Patrick Modiano: La petite bijou. Gallimard, 154 blz. ƒ42,75