Voor eeuwig `geplastificeerd'

Zonder er veel ruchtbaarheid aan te geven hebben de restauratoren van het praalgraf van Willem van Oranjein Delft de zwakste marmerdelen gedrenkt in onverwijderbaar plexiglas. `We konden niet anders.'

Een anonieme dichter in de zeventiende eeuw zinspeelde er al op. Zelfs marmer is vergankelijk. De dichter zong de lof van de schepper van het marmeren praalgraf van Willem van Oranje in Delft, de beeldhouwer Hendrick de Keyser:

Soo langh Prins Willems Tomb bewaert is voor het stof,

Soo lang sal de Faem sijn lof met haer Trompette volgen.

Na een vier jaar durende restauratie, die begin april werd afgerond, is het Oranje-praalgraf uit 1622, een van Nederlands oudste en belangrijkste monumenten, zeker bewaard voor het stof.

Maar hoe? Daarover is tot nu toe nog maar de helft verteld.

Eerst het officiële verhaal dat bij de perspresentatie bij de voltooiing van het opgeknapte praalgraf in de Nieuwe Kerk in Delft naar buiten werd gebracht.

In 1994 verschenen in deze krant de eerste alarmerende berichten over de slechte staat van het Oranje-graf: zoutkristallen in de poriën van het marmer drukten de steen kapot. Het marmer verpulverde daardoor, het brokkelde en schilferde af. Het marmer wordt broos als suikergoed, vandaar dat dit proces, dat door zout in vocht in de poreuze steen ontstaat, `versuikering' heet.

Waar het zout vandaan kwam wist niemand, en wat er tegen gedaan moest worden was ook een ernstig punt van debat onder restauratoren.

Vooral wat er gedaan moest worden nadat het zout uit het steen was verwijderd, was een probleem. In Duitsland, zo vertelde Frits Scholten, woordvoerder van de restauratiecommissie en conservator beeldhouwkunst van het Rijksmuseum Amsterdam, injecteert men aangetaste beelden met kunststof. Maar wat zo'n impregnatie over vijftig of honderd jaar doet, was niet bekend, aldus Scholten. Vandaar dat hij een probleem voorzag: ,,Een restauratie moet omkeerbaar zijn,'' zei hij, ,,je moet de spullen die je hebt toegevoegd weg kunnen halen. Bij impregnatie is dat niet mogelijk. De Britten kiezen daarom voor een heel andere aanpak: schoonmaken en waar nodig vervangen. Dus de aangetaste delen van marmer namaken.''

De Goldreyer-affaire

Dat was de stand van zaken aan het begin van de restauratie in 1994. De zaak zou groots, verantwoord en met de uiterste zorgvuldigheid aangepakt worden, met een grote groep experts om te adviseren. Niet alleen omdat het hier een van Nederlands voornaamste monumenten betrof.

Het hele thema van de zorgvuldige kunstrestauratie was begin jaren negentig sterk in de publieke belangstelling gekomen door de geruchtmakende restauratie van het schilderij Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III van de schilder Barnett Newman. Een vandaal had dat grote doek, tot dan toe een topstuk uit de collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam, in 1986 aan flarden gesneden met een stanleymes. In 1991 werd het gerestaureerde doek trots door Stedelijk-directeur Wim Beeren gepresenteerd. Nieuwsgierig kwam de kunsthistoricus prof.dr. Ernst van de Wetering kijken, als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam destijds betrokken bij onder meer een Rembrandt-restauratie. Hij sloeg alarm. Het doek was op onverantwoorde wijze gewoon overgeschilderd, met een verfroller, door de Amerikaanse restaurateur Daniel Goldreyer, luidde de kritiek. Uit nader onderzoek door de chemicus P. Keune, docent materiaalkunde aan onder meer de Amsterdamse Rietveldacademie, bleek in 1992 dat Goldreyer voor zijn restauratie een onverwijderbare alkydverf gebruikt had, van het soort dat men bij voorkeur op kerkbanken en vloeren smeert, omdat het zo taai is en zo moeilijk slijt.

Eindeloze juridische procedures volgden, waarbij Goldreyer alles ontkende, en Van de Wetering en Beeren Amerika niet in konden, omdat ze dan voor de rechter gesleept zouden worden. Er volgde uiteindelijk een schikking, maar het doek Who's Afraid bleef in de kelders van het museum. De enige winst die de affaire had opgeleverd, was dat nu ook bij een groot publiek bekend was dat er een alles overheersende ethische regel geldt bij restauraties van kunstwerken, namelijk die van de reversibiliteit, de omkeerbaarheid. Alles wat een restaurator doet, moet weer ongedaan gemaakt kunnen worden.

Dat is misschien een van de redenen dat bij de oplevering van het Oranje-praalgraf in april vooral het `onschuldige' gedeelte van de restauratie benadrukt werd. We kregen te horen dat het hele graf gedemonteerd was, en dat alle `zoute' stukken marmer in speciale baden schoongespoeld waren met water. Daarna was alles weer zorgvuldig en schoon in elkaar gezet. (Het witmarmeren beeld van de liggende, dode prins was niet zout, en behoefde dus ook geen behandeling.) Omdat ook de bron van het zout gevonden en verwijderd was, de zeventiende-eeuwse metselspecie met zilt duinzand, was het probleem opgelost. Willems tombe was gered door spoeling, was de geruststellende boodschap. Het graf lag er weer mooi bij, aldus een woordvoerder van de Rijksgebouwendienst, en `kan nu weer eeuwen mee'. De koningin kwam het resultaat 11 april bekijken, en daarmee leek de kous af.

Plexiglas

Maar uit de zojuist verschenen verantwoording van de restauratie in boekvorm, (De Prins en De Keyser) geschreven door onder meer Frits Scholten van de restauratiebegeleidingscommissie, blijkt een heel ander aspect van de redding van het graf van Willem van Oranje.

Er staat in te lezen dat een groot deel van het praalgrafmarmer, zoals pilaren, volgeperst is met een niet-verwijderbare kunststof: plexiglas. En dat over die radicale maatregel, het voor de eeuwigheid `plastificeren' van `eerlijke stukken marmer' grote problemen zijn ontstaan in de groep experts die de restauratie begeleiden. Scholten schrijft zelfs: ,,In de verre toekomst zal deze niet-omkeerbare restauratie mogelijk laakbaar worden geacht.''

Wat is er in de Nieuwe Kerk in Delft gebeurd?

,,We hebben tachtig blokken marmer, samen een aanzienlijk deel van het monument, met acrylhars moeten impregneren. Ik was er aanvankelijk tegen, maar we konden uiteindelijk niet anders. We stonden met onze rug tegen de muur'', legt Frits Scholten uit: ,,Als we het niet hadden gedaan, was de enige keus geweest: we doen niks, en laten het monument verder vervallen. Dan waren er over een jaar of tien grote gaten in gevallen.''

Tussen een blok marmer volspuiten met plexiglas en het laten wegrotten zijn toch nog wel andere oplossingen?

Scholten: ,,In theorie wel. Het probleem was dat we bij het spoelen ontdekten dat sommige stukken marmer zo ernstig aangetast waren, dat ze ook van binnen vergruisd waren. Dan helpt het dus niet dat je alleen maar een klein schilletje aan de buitenkant verstevigt, zeker niet als het proces van afbraak door vocht en zout doorgaat in het gesteente. We moesten dus echt iets drastisch doen.''

,,Er waren vier oplossingen. De eerste: vervang de zwakke marmerdelen, en sla de authentieke onderdelen klimatologisch beveiligd op, zodat die, als er in de toekomst betere methoden zijn om marmer te restaureren, weer behandeld en teruggeplaatst kunnen worden. Dat is de Britse en Zuid-Europese aanpak. Dat leek ons niet haalbaar, omdat we niet wisten waar al dat marmer opgeslagen moest worden.''

In de grafkelder van de Oranjes onder het monument?

,,Daar was geen plaats. En breng je de marmerstukken ergens naar een opslagplaats, dan weet over tien jaar niemand meer wat die stukken steen voorstellen, en trekken ze de stekker uit de klimaatbeheersing. Dan is alles voor niets geweest. Dat vonden we geen pragmatische oplossing.''

,,Het tweede alternatief was een grote glazen kast om het monument heen zetten. Een soort terrarium, waarbinnen vocht en temperatuur rond de tombe constant bleven. Dan zou het zout niet meer met vocht door het marmer stromen. Dat zou de vergruizing stoppen, maar dat leek ons vanwege het publieke karakter van het monument geen goede oplossing, zo'n object achter glas.''

,,Dan was er nog de optie om helemaal niks te doen, en het verval door te laten gaan. Dat vonden wij ook onacceptabel. Dus bleef de vierde oplossing, kunststofimpregnatie over.''

Maar daar was u tegen.

,,Niet alleen ik. Veel mensen binnen de restauratiecommissie. Om te beginnen omdat we niet weten wat kunststof doet na verloop van tijd. Plexiglas bestaat nog maar een jaar of veertig, vijftig, en er is weinig onderzoek naar de houdbaarheid op termijn gedaan. Het is verwerkt in cockpits van vliegtuigen en vliegtuigraampjes van veertig jaar oud, en daar houdt het zich goed. Er is geen noemenswaardig verval. We hebben ook tandartsen, specialisten op het gebied van kunststof, geraadpleegd. Omdat sommige vullingen en kunsttanden van vergelijkbaar materiaal gemaakt worden. De mond is een heel `vijandige', zure omgeving. De tandartsen waren positief over de houdbaarheid van kunststof. Door die informatie, plus het feit dat er geen andere oplossing was, ben ik uiteindelijk omgegaan.''

De controverse tussen de voorstanders en tegenstanders van de Acrylharzvolltränkung, zoals de plexiglas-impregnatie officieel heet, was zo groot dat er in 1995 een patstelling in de restauratiecommissie ontstond. De kunsthistorici waren tegen, terwijl meer pragmatisch ingestelde gebouwenrestaurateurs voor waren.

Van de Wetering

Als onpartijdige adviseur en restauratie-ethicus werd prof.dr. Ernst van de Wetering ingeschakeld – die van de Who Is Afraid of Red, Yellow and Blue-restauratie.

Hij was voorstander van het plexiglasbad van het marmer, op voorwaarde dat de marmerhuid van het kunstwerk een authentieke uitstraling bleef houden. Want volgens hem is het vooral de authenticiteitsbeleving (dus niet de daadwerkelijke authenticiteit) van een monument die van het allergrootste belang is. Daarom moet je het publiek ook eigenlijk niet vertellen dat het monument doordrenkt is met acrylhars, vond hij. Als je de mensen namelijk vertelt dat er plexiglas in het marmer zit, gaan ze dat `zien', ook al zie je er in feite niets van. Je doet de toeschouwer een plezier door hem onwetend te houden van de plastic-injectie in het monument, vertelde Van de Wetering de restauratoren in 1995.

En hij vindt dat nog steeds. ,,Het is jammer dat het nu in de pers komt. Ik begrijp het wel, maar het verstoort de illusie'', zegt Van de Wetering nu. ,,De indruk van echtheid voor een kunstwerk is cruciaal. En de illusie van echtheid wordt in feite bepaald door de authentieke huid van een kunstvoorwerp. Daarover heb ik, in navolging van de restauratie-ethicus Cesare Brandi, al eens geschreven. Hij ontwikkelde de theorie dat wat er in zo'n kunstwerk zit, de massa, niet zo belangrijk is, dat het uiteindelijk om het buitenste schilletje gaat. Als je dat nog hebt, heb je nog het idee dat je het echte kunstwerk ziet. Daarom was ik ook zo geschokt door de grove restauratie van Who's Afraid of Red Yellow and Blue. Van de oorspronkelijke gevoelige verfhuid van het schilderij was niets meer over. Men had beter een goed gelijkende kopie kunnen maken, en het publiek niks vertellen. Dat was waardevoller geweest dan de restauratie die nu uitgevoerd is.''

,,Het was natuurlijk bloedlink, zo'n groot marmer kunstwerk met onbekend kunsthars volpersen'', aldus Van de Wetering, ,,Maar men heeft uitgezocht dat het veilig kon, bij het Duitse bedrijf Ibach, dat ook de beelden van het monument op de Dam met hars heeft volgeperst. En men kon eenvoudig, voor de kunsthars in de steen tot plexiglas verhardde, de buitenste schil, de huid van het marmer weer schoonmaken, zodat het de authentieke uitstraling behoudt. Dat het monument van binnen van plexiglas is, dat is alleen interessant voor restauratiedeskundigen.''

Die visie leidde er toe dat de gehele restauratiecommissie uiteindelijk akkoord ging met de plexiglas-impregnatie. ,,In feite is het een wereldprimeur. Nog nooit eerder is zo'n groot kunstwerk met kunsthars behandeld'', zegt Frits Scholten. Nederland is wat dit betreft gidsland: onze twee belangrijkste stenen nationale monumenten, dat op de Dam in Amsterdam en het Oranje-graf in Delft, zijn volgeperst met plastic. ,,Dat betekent overigens niet dat ze een kern van plexiglas hebben'', nuanceert Scholten het `plastic-beeld': ,,Het betekent dat hooguit 1 à 2 procent van de massa gevuld is met kunststof.'' .

Dat neemt niet weg dat er in internationale restauratiekringen nog steeds ernstige bezwaren bestaan tegen deze Acrylharzvolltränkung-methode. ,,In feite wordt zo'n behandeld stuk steen een brok plastic'', zegt de Vlaamse restauratiedeskundige Eddy de Witte, van het Koninklijk Instituut voor Kunstpatrimonium in Brussel, die ook als expert om advies gevraagd werd. ,,Het karakter van het materiaal verandert, alle poriën in het gesteente worden gevuld met kunststof. En het plexiglas is niet verwijderbaar uit het marmer. Dat is in strijd met de internationale ethische code voor restauratie. Daar komt nog bij'', meent De Witte, ,,dat wij niet weten hoe plexiglas zich houdt. Bij eerdere kunststof impregnatie-pogingen in Duitsland zijn ook beelden totaal vergruizeld. De techniek is nieuw en risicovol, en wordt alleen in Duitsland en Nederland toegepast, en in Duitsland dan ook nog maar alleen bij minder belangrijke kunstwerken en grafzerken. In België zouden we zoiets nooit doen bij zulke kunstwerken. Wij zijn voor vervangen van marmer en de originele marmerdelen bewaren, tot die wel behandeld kunnen worden, want de techniek van de restauratie schrijdt steeds verder voort.''

Vooralsnog staat het praalgraf van Willem van Oranje in de Nieuwe Kerk in Delft er weer bij als nieuw – en lijkt zo het gelijk van Ernst van de Wetering te bevestigen.

Praalgraf Willem van Oranje, Nieuwe Kerk, Delft, ma-za 9-18u.

Nicole Ex en Frist Scholten, `De Prins en De Keyser, Restauratie en geschiedenis van het grafmonument voor Willem van Oranje', 220 pag. geïll., uitg. Thoth, Bussum, f 55.

`Je doet de toeschouwer een plezier door hem onwetend te houden' Tandartsen waren belangrijke adviseurs