Voor de opening van het Oerol festival op Terschelling schreef Jan Wolkers een gedicht

Het Noorderlicht verbleekt de ster

Van Bethlehem tot kaarslicht op een herdersknuist,

Een wieg met blaaswier geeft geen reden tot aanbidding,

Je geeft geen mirre aan een kind dat playbackt.

De os en ezel lopen krom van BSE

En gooien reeds hun kont tegen de kribbe.

Een duinrede klinkt ook niet flamboyant,

Helm prikt de verzenen van de profeet.

Een wonderbare spijziging uit rendiermos

Vertroebelt luisteren tot pijnlijk kauwen,

Zeerasp weerkaatst de kille dageraad,

De knorhaan schiet zijn kuit in het karkas

Van Vikingen die in het zilt verslonsden,

Het dreigend zwaard als roestklomp aan hun zij,

Those cats were fast as lightning.

Geen mist geeft aan de opstanding gehoor,

Aurora Borealis stelt de wetten.

Woestijnzand wordt een kleed van wolvenhaar,

De laatste wilde zalm bestijgt een schots,

En roept tegen de palmen des geloofs:

`Ondanks mijn schubben voel ik mij een God!'

En zet een kroontje op van pindarots.

De sneeuwuil trekt zijn krassen in het ijs,

Een runenspel dat niet is te verstaan,

Het vergeten is het vlakgom van de tijd.

Een slee met rendieren vermaalt men tot gehakt:

Half piek en spar, half wenend engelenhaar.

Wie hier een heilige eik aanrandt

Wordt platgetabberd in zijn bloed.

Vanuit dit ruige kustgebied,

Van Hammerfest tot Noorderhaaks,

Heeft men door schots en scheef Amerika ontdekt,

Niet uit expansiedrift voor nog meer sneeuw en ijs,

Gewoon voor Doris Day en Tea for Two.

De bittere geur van zeealsem bedwelmt de zinnen,

Parnassia sprenkelt zijn sterren door het dal,

De nacht wordt lichter dan de dag ooit zijn zal,

Het Noorderlicht is vlammend bezig te beginnen.