Rechte rug gevraagd van OM

Onder zware druk van de publieke opinie een onschuldige oppakken en aan een DNA-onderzoek onderwerpen. Dat kan kennelijk tegenwoordig in Nederland, zoals in de zaak-Vaatstra. Het `magistratelijke' openbaar ministerie laat zich hier opjagen door een hype, en toont zich niet bepaald van zijn beste zijde.

MOM werd het spottend genoemd in een stukje in het Juristenblad van 7 april 1984: Marketing Openbaar Ministerie. De auteur signaleerde een nieuwe trend, het ,,assertieve om niet te zeggen agresieve optreden in de publiciteit'' van officieren van justitie. Er was in die periode inderdaad een omslag waar te nemen bij de staande magistratuur, die van oudsher wordt gekenmerkt door een gezonde afstand tot persmuskieten. Met name in grote fraudezaken zocht een nieuwe generatie crimefighters bewust de openbaarheid om hun visie op witteboordencriminaliteit uit te dragen.

Het werd een hele trend, die culmineerde in een soort mediawedstrijd in en om de rechtszaal tussen aanklagers en verdedigers in het proces tegen de drugsbaron De Hakkelaar.

MOM ging hier wel heel ver. Een verslaggever in de kleedkamer en grapjes in de zittingszaal voor de televisie. Dit was de toenmalige minister van jusitie Sorgdrager toch te gortig. Zij maande tot een wat meer magistratelijk optreden. Maar de toon voor een hele generatie officieren was gezet.

Publiciteit is echter een gevaarlijke danspartner voor vrouwe Justitia, want zij kan ook met haar op de loop gaan.

Dat is gebleken in Friesland in de schokkende moordzaak-Marianne Vaatstra. De betrokken officier van justitie heeft voor de televisie opgebiecht dat hij onder druk van de publieke opinie een internationaal arrestatiebevel heeft uitgevaardigd tegen een Irakees, hoewel deze op dat moment voor hem ,,niet meer interessant'' was. De man werd na DNA-onderzoek ook al weer snel vrijgelaten.

Het lijkt wellicht slechts een lichte rimpeling in een toch al moeilijk onderzoek, maar de terloopse opmerking van de officier wordt terecht hoog opgenomen door minister Korthals (Justitie) en een aantal Kamerleden. We moeten het in dit land niet hebben dat mensen zonder goede grond worden gearresteerd.

Het officiële standpunt van het openbaar ministerie is dat de Irakees ten tijde van het arrestatiebevel nog altijd als verdachte werd beschouwd. Daarmee is formeel voldaan aan de eisen voor een arrestatiebevel. Ten minste, als dit door de ontvangende autoriteiten wordt geaccepteerd. In dit geval waren dat de Turkse autoriteiten, en die hebben meegewerkt.

Bij deze redenering past een groot vraagteken. De status van verdachte wordt gekenmerkt door gerichte verdenking, een ,,redelijk vermoeden'' zoals de wet het noemt. Dit vereiste valt moeilijk te rijmen met de kwalificatie ,,geen interesse'' uit de mond van de leider van het onderzoek. Om een verdachte in voorarrest te nemen en voor de toepassing van dwangmiddelen als DNA-onderzoek zijn bovendien ,,ernstige bezwaren'' vereist, wat je noemt een stevige verdenking.

Ook als de Irakees in dit geval niet moeilijk heeft gedaan, omdat hem te verstaan was gegeven dat hij gauw weer van de justitie af zou zijn, roept de hele gang van zaken vragen op over de publiciteitsgevoeligheid van het openbaar ministerie.

De zaak-Vaatstra leidde in de directe omgeving toch al tot heftige reacties. De media met misdaadverslaggever Peter R. de Vries en het dagblad De Telegraaf voorop hebben alle reden zichzelf de vraag te stellen of ze daar achteraf gezien wel goed mee zijn omgesprongen. Maar het openbaar ministerie heeft een speciale verantwoordelijkheid het hoofd koel te houden.

Het OM geldt van oudsher als ,,de spil van het Nederlandse strafproces''.

Deze rol krijgt de laatste jaren juist meer accent. Als gevolg van de parlementaire enquête over opsporingsmethoden is het gezag van het OM over de politie versterkt. En in de wetgeving is er een lichte doch onmiskenbare trend om de eigen positie van de officier van justitie tegenover de (onderzoeks)rechter te accentueren als het gaat om belissingen over huiszoeking, telefoontap of het doorzoeken van computerbestanden.

De moderne officier van justitie moet een rechte rug hebben, want tegelijkertijd ontwikkelt het openbaar ministerie zich tot een gestroomlijnde, centraal aangestuurde organisatie. Deze dient, zoals minister Korthals het noemt, ,,omgevingsgericht'' te zijn.

Een typerende ontwikkeling hierbij is de invoering van de mogelijkheid van slachtoffers of nabestaanden om een second opinion aan te vragen als een officier van justitie hun zaak afblaast. Dat is een tot voor kort moeilijk voorstelbare concessie aan stemmen van buiten het parket.

Omgevingsgerichtheid vergroot ook de kwetsbaarheid van een justitieel onderzoek voor een hype die zich ontplooit in de publieke opinie.