Rebellen in Atjeh voeren hun terreur op

Door het Indonesische leger verdreven rebellen in Atjeh oefenen terreur uit in het midden van de provincie. Slachtoffers zijn de Javaanse gemeenschappen van koffieboeren. De Beweging voor een Vrij Atjeh laat haar ware gezicht zien.

De rebellen van de Beweging voor een Vrij Atjeh (GAM) zijn de laatste twee maanden in het defensief gedrongen. Het GAM-leger is door speciale anti-guerrilla-eenheden van de Indonesische strijdkrachten goeddeels verdreven uit de noordoostelijke kustvlakte, die zich uitstrekt over de regentschappen Pidie, Noord- en Oost-Atjeh.

Een deel van het militaire kader van de GAM heeft per schip de wijk genomen over de Straat van Malakka, een deel is ondergedoken in de hoofdstad Banda Atjeh. Eenheden van het separatistische leger, dat volgens onafhankelijke waarnemers zo'n 2.000 man telt, hebben zich teruggetrokken in de bergen in het westen van de drie regentschappen en in het eveneens bergachtige Midden-Atjeh. Daar heeft de GAM een bloedig offensief ontketend tegen gemeenschappen van koffieboeren die zich hier in de Nederlandse tijd hebben gevestigd vanuit Java. Zij dragen nog Javaanse namen, maar wonen al vijf of zes generaties in Midden-Atjeh, dat onder Nederlands bestuur `Gayolanden' heette, naar de grootste etnische groep.

De Atjehse hulporganisatie Yasindo heeft in de tweede en derde week van juni poolshoogte genomen in Midden-Atjeh en gruwelijke feiten aan het licht gebracht. De overval op de `Javaanse' dorpen begon op 6 juni. GAM-strijders doken op in de koffietuinen, begroetten boeren met een vroom `salam aleikum' (vrede zij met u) en vroegen naar identiteitsbewijzen. Als die Javaanse namen vermeldden, werden de houders ervan ter plaatse doodgeschoten. Dit luidde een reeks moordpartijen in waarbij GAM-leden, deels uit het gebied zelf, deels gevlucht uit de kustvlakte, blijk gaven van uitgesproken sadisme. De lichamen van een aantal slachtoffers zijn in stukken gehakt.

Yasindo heeft in het gebied de lijken aangetroffen van 81 boeren die tussen 6 en 17 juni zijn afgemaakt. Een aantal lichamen is ontoegankelijke kloven gesmeten en het werkelijke aantal doden ligt waarschijnlijk hoger. In 29 dorpen zijn in totaal zo'n duizend huizen, moskeeën en scholen platgebrand; 4.600 dorpelingen zijn gevlucht en ondergebracht in twee provisorische kampen. De GAM speelt in op de afgunst van andere streekbewoners jegens deze hardwerkende en relatief succesvolle gemeenschap en lijkt erop uit de Javanen te verdrijven om zich vervolgens meester te maken van hun koffietuinen.

Enkele leden van de belaagde groep hebben zich uitgerust met zelfgemaakte wapens en jachtgeweren. Het gaat om niet meer dan vijf of zes man per dorp en een enkeling heeft van plaatselijke militairen en politiemannen munitie gekregen. Woordvoerders van de GAM beweren nu dat het Indonesische leger in Midden-Atjeh `milities' van immigranten opzet, maar dit kan worden gezien als een poging van de GAM om de sinds de excessen van 1999 in Oost-Timor op dit punt allergische internationale opinie te mobiliseren.

Sinds haar aantreden in oktober 1999 volgde de regering-Wahid in Atjeh een tweesporenbeleid: beperkte anti-guerrilla-operaties door de Mobiele Brigade (speciale politietroepen) en onderhandelingen met GAM-ballingen in Zwitserland. Die mondden in juni 2000 uit in een `humanitaire pauze', in feite een bestand dat niet zo mocht heten omdat de regering de GAM officieel niet erkent. Dit bestand is tweemaal verlengd, maar maakte geen einde aan het geweld in Atjeh en is door de GAM aangegrepen om haar controle over de provincie uit te breiden, vaak met bloedige terreur. De Mobiele Brigade kon weinig uitrichten, was het mikpunt van GAM-aanslagen, sloeg terug door de huizen van omwonenden in brand te steken en maakte zich zo uiterst impopulair.

Op 11 april tekende president Abdurrahman Wahid onder druk van de strijdkrachten een decreet waarin hij leger, politie en plaatselijke gezagsdragers opdracht gaf in Atjeh ,,de orde te herstellen''. Sindsdien zijn 6.000 speciaal getrainde militairen naar Atjeh gestuurd. Deze anti-guerrilla-eenheden gedragen zich over het algemeen gedisciplineerd en krijgen bij de plaatselijke bevolking een beter onthaal dan de Mobiele Brigade.