Radio, kanker, en duiken

Om de zoveel tijd doen zich genres voor die tot nog toe niet bestonden als onderkastcategorie. Zo trof ik naast een vuilniszak in de beruchte Postcode 1070-wijk in Amsterdam Oud-Zuid een aantal boekendozen aan, waarin het intrigerende De Stem uit den Aether (1940) van A.F. Stenzel. Intrigerend, in de eerste plaats vanwege de beginselverklaring van de auteur.

`Deze roman dankt zijn ontstaan aan de film De stem uit den aether. Daar voor een roman andere voorwaarden en mogelijkheden gelden dan voor een film, wijkt de handeling van den roman belangrijk af van die van de film. Behouden gebleven is echter de grondgedachte van de film: Een jonge kunstenares verovert haar levensgeluk!'

In plaats van een verfilmd boek dus een verboekte film. Een zeldzaam literair verschijnsel als ik me niet vergis.

Je kunt De stem uit den Aether ook opvatten als een radioroman, eveneens een categorie die in mijn onderkast nog niet bestond. Ik roep hierbij de lezer op titels te noemen (boeken@nrc.nl) die deze lacune kunnen opvullen. Al is Stenzels roman ook alleen in staat een gemis weg te nemen. Fraai bijvoorbeeld is de passage waarin Rundfunk-redacteur Seidelbast een geschikte presentatiestem zoekt: `Het moet een stem zijn die op vrouwen zoowel als op mannen een even sterken indruk maakt en die in geen enkel opzicht aan een radiospreker mag herinneren.' Overwegingen die in Seidelbast opkomen `in uitzendingskamer II, waarop een soort schijf de groote metallofoonplaten draaiden, waarin de uitzending gegrift was.'

Tot zover de onderkastcategorie `radioroman'. Want nu verscheen een historisch werk in wéér een ander onbekend genre – `duikersproza' – dat gek genoeg tevens een specimen opleverde, dat tot de inrichting van opnieuw een nieuwe onderkastplank leidde. Kankerpoëzie. Niet in grootse verzen, maar specifiek genoeg: `Als Homerus in mijn dromen/ dicht ik van rectale carcinomen/ [...] Want het zwelt op als je wacht,/ uitzaaiïngen aan de macht/ Het is belangrijk dat een tumor/ wordt bekeken met een dosis humor'.

Dichter dezer regelen is J.B.S. Haldane (1892-1962), die het ondanks zijn brede humor tegen de Homerische tumor moest afleggen. Zijn levensgeschiedenis maakt deel uit van de verrukkelijke serie biografische portretten die zeebioloog Trevor Norton schreef over pioniers van het (diep)zeeduiken en bundelde in Sterren der Zee.

Het woord `excentriek' schiet tekort voor de hele en halve gekken die hij de revue laat passeren. Voor een deel brengt hun onnatuurlijke bezigheid een zekere waanzin mee. De mens immers is niet gemaakt voor verblijf in, laat staan onder water. De zwemvliezen en kieuwen ontbreken, ons fysiek is niet ingericht op drukwaarden die in de diepte gelden. Dat bij het trotseren van dit aan de homo sapiens wezensvreemde element waanzinnige en uitzonderlijke hulpmiddelen opduiken, hoeft dan ook niet te verbazen.

Norton heeft een vlotte pen, een onweerstaanbare neiging te balanceren op de vloedlijn van de meligheid, en zonder natte voeten redt hij het niet. Hier en daar lijkt hij net zo'n gek als zijn onderwerpen, en inderdaad duikt hij ook zelf op in een van de biografietjes, als assistent. Rare jongens die duikers, bonte types. Kakelbont meteen in hoofdstuk 1 is Guy Gilpatric (1896-1950), de schrijvende vlieger uit de Eerste Wereldoorlog die het jacht- en vúúrelement lucht inwisselde voor het jacht- en vúúrelement water, en het laatste element (aarde) slechts gebruikte om met zijn prooi te pronken.

Wat Norton over Gilpatric noteert doet verlangen naar het proza van Gilpatric zelf, en dat is het grootste compliment wat je hem kunt maken. De beste boeken immers zijn slechts het startpunt op een lange weg van het ene boek naar het andere. En via Gilpatrics The complete Goggler (`De volkomen duikbrildrager') komen we weer bij The Complete Angler (`De volkomen hengelaar') van Isaac Walton uit 1653. Zeer ironisch, deze toespeling. Walton begreep heel goed dat je als mens aan de waterkant moet blijven, omdat alle onnatuurlijke actie een onneembare drempel vormt voor de oeverfilosofie, waarvoor hij, vooral bij gebrek aan beet, alle gelegenheid had.

Ik zou nu misschien moeten uitbarsten in een lofzang over Trevor Norton, die met zoveel lof en eer schrijft over de prettig gestoorde schrijver/duiker/visserslatinist Guy Gilpatric, die weer verwees naar de briljante zeventiende-eeuwer Isaac Walton. Een ode aan de andere pionierende duikgekken in Sterren der Zee zou evenzeer op zijn plaats zijn. Ik heb echter een e-mailadres gegeven. En gebruik deze laatste regel voor een oproep.

Stuur uw onderkastcategorieën (duiken, kanker, radio of iets anders, met name ook over de cultuurgeschiedenis van de tent, waarover ik nog nooit een boek ontdekte) met bijbehorende titels naar boeken de onderkast is nooit vol genoeg.

Trevor Norton: Sterren der Zee. De uitzonderlijke levens van de grote namen uit de duikgeschiedenis. De Geus, 265 blz. ƒ49,50 (pbk)