Overleven als daad van verzet

De Franse jurist Robert Antelme, echtgenoot van de schrijfster Marguerite Duras, verwerkte zijn gevangenschap in een Duits concentratiekamp in een onthutsend boek, dat nu is vertaald. Over de eenheid van de menselijke soort en de onvoorstelbaarheid van de kampervaring.

In 1985 publiceerde Marguerite Duras La douleur (De pijn), een bundel autobiografische verhalen over de oorlogsjaren. In het titelverhaal beschrijft zij haar onzekerheid over het lot van haar man, die in de zomer van 1944 was gearresteerd wegens verzetsactiviteiten en die vervolgens was gedeporteerd naar een Duits concentratiekamp. Zij beeldt zich in dat de nazi's hem hebben vermoord en wentelt zich in haar ontreddering.

Totdat blijkt dat hij nog in leven is. Door enkele vrienden, onder wie de latere Franse president Mitterrand en Duras' toenmalige minnaar Dionys Mascolo, wordt hij gered uit Dachau, waar hij na een infernale `dodenmars' en een dertien dagen durende treinreis meer dood dan levend is aangekomen. De rest van het verhaal bestaat uit een minutieuze beschrijving van de moeizame terugkeer naar het leven van deze uitgehongerde, tot een wandelend skelet gereduceerde menselijke gestalte.

In het verhaal wordt de man `Robert L.' genoemd; in werkelijkheid heette hij Robert Antelme (de L stond voor `Leroy', Antelme's schuilnaam in het verzet). In 1939 was Duras met hem getrouwd, wat overigens bij geen van beiden een belemmering voor buitenechtelijke affaires bleek te zijn. Na zijn herstel schreef Antelme, in het Parijse appartement van Duras (waar een merkwaardige ménage à trois ontstond met Mascolo), L'espèce humaine, het verslag van zijn kampervaringen, van de `dodenmars' en van de treinreis, waarbij de helft van de reizigers, vrijwel zonder voedsel en water opgesloten in veewagons, om het leven kwam.

Het boek verscheen in 1947 bij de uitgeverij Cité Universelle, die Antelme, Duras en Mascolo hadden opgericht; het is nu voor het eerst – en heel goed – in het Nederlands vertaald door P. Huigsloot als De menselijke soort. Ondanks enkele gunstige kritieken wekte het bij het publiek destijds niet veel belangstelling. Die zou pas later komen, onder meer dankzij een zeer duister commentaar van Maurice Blanchot (opgenomen in L'entretien infini uit 1969). Ook in Frankrijk wilde men, onmiddellijk na de bevrijding, de verschrikkingen van de oorlog liefst zo snel mogelijk vergeten.

De menselijke soort is op zijn zachtst gezegd een indringend boek dat niet onderdoet voor Primo Levi's Is dit een mens, geschreven in nagenoeg dezelfde tijd. Er zijn meer overeenkomsten: Antelme en Levi waren allebei jonge mannen, intellectuelen, verzetsstrijders. Het enige verschil is dat Antelme geen jood was. Buchenwald en het `Kommando' te Gandersheim, waar Antelme het merendeel van zijn kamptijd doorbracht, waren geen vernietigingskampen zoals Auschwitz, waar Levi gevangen zat.

Toch krijgt Antelme al bij zijn aankomst in Buchenwald te horen dat de gevangenen daar zijn `om te sterven'. In Gandersheim behoren de Fransen, met de Italianen, tot de onderste regionen van de kamphiërarchie. Ze spreken geen Duits en kunnen zich daardoor minder goed redden. En ze bestaan in meerderheid uit politieke gevangenen, die binnen het kamp voornamelijk Duitse strafgevangenen (moordenaars, dieven, zwarthandelaren) boven zich hebben. Voor de SS'ers en hun helpers waren wij `een menselijke pest', schrijft Antelme kortaf. `De SS'ers hier hebben geen joden bij de hand. Wij nemen hun plaats in.'

In het voorwoord kondigt hij met valse bescheidenheid aan dat zijn verslag `niet zoveel verschrikkelijks' bevat, aangezien er in Gandersheim geen gaskamer of crematorium was. Maar ook zonder de gevreesde `selecties' blijkt het bestaan er nauwelijks te verdragen, vanwege de honger, de kou, de luizen, de klappen, het zware, zinloze werk, de minachting van de Duitsers (SS'ers én burgers) en de permanente terreur van de strafgevangenen, die hun status en privileges beschermen door hun politieke medegevangenen letterlijk en figuurlijk te vertrappen. `Iemand uithongeren om hem vervolgens te moeten straffen omdat hij afval steelt, en daarvoor een beloning van de SS krijgen, bijvoorbeeld extra soep die de ander wordt onthouden zodat die nog meer uitgehongerd raakt – dat was hun gebruikelijke tactiek.'

Onder zulke omstandigheden, aldus Antelme, `werd ons doel bescheiden: overleven'. Van onderlinge solidariteit, vaak wel aanwezig in kampen waar politieke gevangenen de leiding hadden, kon geen sprake zijn. Iedereen stond er alleen voor, of zoals Antelme schrijft: `Solidariteit was een individuele zaak geworden.' De meeste gevangenen vallen terug op een in eerste instantie louter fysieke overlevingsdrang. `Ik ging pissen', luidt de eerste zin van het boek – typerend voor de directe, onopgesmukte manier waarop Antelme dit puur lichamelijke bestaan als schrijver benadert.

De menselijke soort is een gruwelijk boek, geschreven door een groot literair talent. Hoewel Antelme (die het bij dit ene boek gelaten heeft) heel goed beseft dat ze voor buitenstaanders amper te bevatten zijn, slaagt hij erin de verschrikkingen bijna tastbaar op te roepen. Een gevangene die urenlang vergeefs bij de keuken heeft staan posten, beschrijft hij bijvoorbeeld zo, met de empathie van de gedeelde ervaring: `Er is geen oplossing. Hij lijdt niet. Geen enkele pijn. Alleen de leegte in zijn borst, in zijn mond, in zijn ogen, tussen zijn kaken die zich openen en sluiten om niets, om de lucht die in zijn mond komt. Zijn tanden kauwen lucht en speeksel. Zijn lichaam is leeg. Niets dan lucht in zijn mond, in zijn buik, in zijn benen en armen, die uitgeput raken. Hij zoekt een gewicht voor zijn maag, om zijn lichaam op de grond te laten rusten; hij is te licht om zich staande te houden.'

Antelme beperkt zich niet tot dit soort concrete observaties en evocaties. De menselijke soort heeft ook een filosofische leidraad, die al meteen door de titel wordt aangegeven. Opzet van de SS was de gevangenen van hun menselijkheid te beroven, ze tot minder dan beesten te maken. Antelme: `Het is een droom van de SS dat wij historisch tot taak zouden hebben van soort te veranderen, en zij doden ons omdat die overgang te traag verloopt'. Een breuk in de menselijke soort, een partiële mutatie – dat is hun doel. In zijn boek verzet Antelme zich daartegen, door voortdurend te benadrukken dat het hun niet is gelukt: `Wij blijven ondubbelzinnig mensen, wij eindigen alleen maar als mensen. De afstand die ons scheidt van andere soorten blijft onaangetast, die is niet historisch.'

Vandaar de aandacht voor de zeldzame blijken van medemenselijkheid bij de Duitse burgers met wie Antelme in de fabriek te Gandersheim te maken krijgt: de man die hem toefluistert het langzaamaan te doen en hem een hand geeft, de vrouw die hem een stuk witbrood toestopt. Maar ook het heimelijke `spel' dat hij speelt met de burgers die hem in de fabriek negeren terwijl hij rond hun voeten de vloer veegt, past in dit verband:

`Voor hen bestond ik niet. Ik ging een stuk papier oprapen naast de voet van een van hen. Hij trok zijn voet mechanisch terug zonder zijn conversatie met een ander te onderbreken. Daarna nog een stuk papier, dicht bij een andere voet. De Duitser trok zijn voet terug zoals men in zijn slaap, zonder wakker te worden, een mug van zijn voorhoofd jaagt. Ik liep wat rond in hun slaap.' Alleen één vrouw heeft hem door, maar zij kan de anderen niet op zijn spel attent maken, omdat ze dan zou verraden dat ze hem gezien heeft. `Zo zou ze tonen dat ze niet even machtig was als zij, aangezien ze mij had opgemerkt'.

Het belangrijkste en meest noodzakelijke verweer blijft niettemin het kale overleven. `Niet sterven, dat is hier het eigenlijke doel van de strijd. Want iedere dode is een overwinning van de SS.' Ook als iemand afval eet, ziet Antelme daarin `grootsheid', een vorm van verzet. Hij draait het zelfs om: `Hoe meer we als mens door de SS in twijfel getrokken worden, hoe groter de kans is dat we als mens worden bevestigd. Het werkelijke gevaar dat we lopen is dat we uit afgunst een kameraad gaan haten, dat begeerte ons misleidt, dat we de anderen in de steek laten.'

In dat laatste geval doet de gevangene immers precies wat de SS van hem wil, hij verloochent zijn menselijkheid, handelt alsof de mensheid géén `eenheid' is, door zijn slachtoffer en onbewust ook zichzelf ervan uit te sluiten. Het lukt Antelme overigens niet altijd aan dit mechanisme te ontkomen. Tegen het eind van het boek schrokken de Franse gevangenen, aangekomen in Dachau na een afgrijselijke treinreis, hun voedselpakketten naar binnen, terwijl even uitgehongerde Russische gevangenen met stokslagen op afstand worden gehouden.

Hieruit zou je kunnen afleiden dat Antelme's nadruk op de eenheid van de menselijke soort ook een vorm van wishful thinking is geweest of liever: een morele eis, die niet alleen de werkelijkheid van het kamp betreft, maar ook de menselijke samenleving daarbuiten. Opvallend is dat hij de kampbevolking een paar keer vergelijkt met het proletariaat, dat in een vergelijkbare situatie van onrecht en ontmenselijking zou verkeren. In een artikel uit 1948 betoogt hij dan ook, `dat er geen wezenlijk verschil is tussen het `normale' regime van uitbuiting van de mens en dat van de kampen. Dat het kamp eenvoudigweg het min of meer verhuld beeld is van de hel waarin nog zoveel volkeren leven'.

Twee jaar voordat Antelme dit schreef, was hij lid geworden van de Franse Communistische Partij, net als Marguerite Duras en Dionys Mascolo. Het communisme, een idealistisch, vóór alles ethisch communisme, kleurt ongetwijfeld de moraal van De menselijke soort, zonder dat het afbreuk doet aan de waarde van het boek als getuigenis. Hoogstens laat die moraal de grootste gruwel voor de overlevenden ietwat onderbelicht: de wetenschap dat zij alleen ten koste van anderen hebben kunnen overleven, omdat de SS het kamp zo had ingericht dat er nooit genoeg was voor allen.

In Fuga uit Buchenwald, tegelijkertijd verschenen met de vertaling van De menselijke soort, wil Etty Mulder Antelme's `raadselachtige humanisme' vooral opvatten als een expressie van zíjn manier om de ellende van het kamp te verwerken. Dat humanisme zelf vindt zij problematisch. Niet zozeer omdat het te rooskleurig zou zijn, als wel omdat het óók de SS omsluit. Inderdaad schrijft Antelme ergens dat hij tussen de SS'ers en de gevangenen `geen enkel wezenlijk verschil' kan zien, ondanks de pogingen van de SS om juist dat verschil af te dwingen. Ook zij behoren tot de menselijke soort.

Voor Mulder komt dat neer op een `wezenlijke ontkenning van het kwaad'. Een merkwaardig verwijt, dat alleen valt staande te houden, wanneer je het kwaad, of zoals Mulder schrijft `het peilloze mysterie van het kwaad', buiten de mens zou plaatsen. Antelme doet dat duidelijk niet. Ook Mulder begrijpt dat, als zij schrijft dat voor hem het kwaad kennelijk `immanent' is aan het woord `mens'. Wat in uiterste consequentie betekent, dat in iedereen althans de mogelijkheid aanwezig is om een SS'er te worden.

Mulder vindt dit een onacceptabele boodschap, die zij alleen wenst te respecteren voor zover Antelme erdoor geholpen is in zijn gevecht om te overleven. Liever is haar de tot kunst getransformeerde `haat' van iemand als Claude Lanzmann, de maker van de documentaire Shoah. Bij Antelme ontbreekt die haat vrijwel geheel, al fantaseert hij een enkele keer over de wraak die hij op zijn onderdrukkers zou willen nemen.

Maar ook dan blijft het veelzeggend wat hij precies voor de overwonnen SS'er in petto heeft: `Wat je zou willen, is allereerst hem op zijn kop zetten, met zijn hoofd naar beneden en zijn voeten in de lucht. En je kromlachen, je kromlachen. De mensen, wij die menselijke wezens zijn, wij zouden ook wat willen spelen. We zouden er snel genoeg van krijgen, maar dat is wat we zouden willen: het hoofd naar beneden en de voeten in de lucht. Wat men met de goden wil doen'.

Zelfs de wraakfantasie blijft in het teken van de boodschap staan, dat wil zeggen: van de eenheid van de menselijke soort, die de SS'ers hebben willen doorbreken door zichzelf in de ogen van hun gevangenen als verblindende `goden' te presenteren. Na de bevrijding zien we dan ook dat Antelme, anders dan de meeste communisten, tegen blinde wraakzucht pleit. Juist de wetenschap dat de SS een van ieders menselijke mogelijkheden vertegenwoordigt, moet hem tot mildheid en clementie hebben gebracht.

Bij Marguerite Duras vinden we een heel andere reactie. Aan de ene kant identificeerde zij zich, zoals Mulder schrijft en zoals we in La douleur kunnen lezen, met de slachtoffers, met Antelme (wiens pijnlijke herstel na de terugkeer in Parijs zij tracht te delen, door zelf ook niet te eten en nauwelijks te slapen), en met de vermoorde joden. Wat Mulder alleen niet vermeldt, is dat Duras in een ander autobiografisch verhaal in La douleur openhartig schrijft over haar deelname aan de foltering van een collaborateur. Een verhaal dat op schokkende wijze de waarheid demonstreert van Antelme's `onacceptabele' boodschap.

Het is ongetwijfeld geruststellend om het kwaad als een `peilloos mysterie' buiten de mens te plaatsen, maar als het ergens concreet bestaat dan is dat toch, vrees ik, in de mens. Je kunt dat `onacceptabel' vinden of `onvoorstelbaar', net zoals Mulder de verschrikkingen van de kampen onvoorstelbaar vindt. In het voetspoor van Lanzmann gaat zij zo ver zelfs de vraag naar het waarom van de nazistische genocide `obsceen' te noemen. Het gevolg is een – inmiddels wijdverbreid – taboe, dat van de genocide iets sacrosancts maakt en dat het kwaad bevestigt als een al dan niet peilloos `mysterie'. In morele verblinding wordt zo bij voorbaat de mogelijkheid afgegrendeld om nog iets van het kwaad en van de verschrikkingen van de kampen te begrijpen.

Wie daarentegen niet bereid is moraal en kennis te ontkoppelen, kan beter bij zichzelf te rade gaan en Antelme lezen, die door de menselijke soort als een eenheid te beschouwen het kwaad ongerieflijk dichtbij brengt en die geen genoegen neemt met de geclaimde onvoorstelbaarheid van de verschrikking, maar met de steun van de verbeelding dit onthutsende boek heeft geschreven.

Daarin spreekt hij bovendien op een van de laatste bladzijden uit welk gevaar er schuil kan gaan in het taboe van de onvoorstelbaarheid: `Onvoorstelbaar, het is een woord dat geen onderscheid maakt, geen beperking kent. Het is het makkelijkste woord. Wandel met dit woord, het woord van de leegte als schild, en de tred wordt vaster, steviger, het bewustzijn is zichzelf weer meester.'

Robert Antelme: De menselijke soort. Vertaald uit het Frans door P. Huigsloot. SUN, 318 blz. ƒ39,50 Etty Mulder: Fuga uit Buchenwald. Marguerite Duras/Robert Antelme. SUN, 95 blz. ƒ24,50