Overdag drinken, 's nachts schrijven

Mede dankzij de film Almost Famous herleefde de aandacht voor Lester Bangs, legendarisch popjournalist uit de jaren zeventig.

Legendarische popsterren zijn er genoeg, maar er is maar één legendarische popjournalist. De Amerikaan Lester Bangs, geboren in 1948 en gestorven op de Christus-leeftijd, was net zo rock'n'roll als zijn onderwerp. Hij leefde op Rominal (hoestsiroop) en drank, en schreef popproza alsof de duivel in zijn typemachine woonde. Zijn idolen waren Iggy Pop, MC5, Richard Hell en Van Morrison. Maar Bangs was nooit te beroerd om ook zijn grootste helden te ontmaskeren als de megalomane freaks die ze soms waren.

's Avonds schuimde hij langs kroegen en concerten, 's nachts schreef hij artikelen voor bladen als Rolling Stone, Creem en Village Voice. Hij schitterde in lange ritmische zinnen, vol alliteraties en woorden die uitsluitend dienden om de lezer te frapperen. Straattaal, stripfiguur-achtige uitroepen (Booga booga!) en plastische beeldspraak vormden samen een woordstroom waar de gemiddelde rapper jaloers op zou zijn. Hij typeerde het duo Kraftwerk in 1975 als `holloweyed jerkyfingered mannikins' en schreef over David Bowie in 1976 `I always thought all that Ziggy Stardust homo-from-Adelbaran business was a crock of shit, especially from a guy who wouldn't even get in a goddam airplane'.

Popkritiek was in de jaren zeventig nog een relatief nieuw verschijnsel. Sinds de geboorte van rock'n'roll in de jaren vijftig was de rapportage in handen van kritiekloze dwepers. Pas eind jaren zestig begonnen ook serieuze schrijvers zich ermee te bemoeien. Rolling Stone werd opgericht, en afgestudeerde mensen als Greil Marcus kozen de rock-kritiek als loopbaan. Rond 1970 was de verslaggeving over pop inmiddels zo zwaarwichtig geworden dat iemand als Lester Bangs, die op zijn beurt was opgegroeid met de drug-verhalen van de beat-poets, makkelijk kon scoren met zijn sardonische fulminaties. Hij werd een voorbeeld voor beginnende popjournalisten, in Amerika, Engeland en tot in Nederland aan toe. De altijd ongewassen en slonzige Bangs was een beroemdheid op zichzelf; popmuzikanten vroegen of ze door hem konden worden geïnterviewd.

In 1973 was Lester Bangs te gast bij een radiostation in Los Angeles. Hij droeg een van de vele gratis T-shirts die hij van platenmaatschappijen kreeg – van de band Guess Who dit keer – en oreerde over de voordelen van Iggy Pop en de nadelen van Jim Morrison. Toen Bangs na afloop de deur uitkwam, werd hij opgewacht door een vijftienjarige jongen die zich voorstelde als Cameron. Deze Cameron had hem al een reeks zelfgeschreven artikelen toegestuurd om Bangs' mening erover te krijgen. `Your writing is damn good – for a San Diego boy', had Bangs geantwoord. Hij plaatste Camerons interview met Humble Pie in het tijdschrift Creem, waarvan Bangs toen redacteur was.

Bij die eerste ontmoeting waarschuwde hij Cameron voor een loopbaan als popjournalist: `Je wordt gefêteerd door platenmaatschappijen, popsterren worden je vriend, alleen maar omdat ze goede recensies willen.' Bangs prentte hem in: eerlijk en meedogenloos, dat moet je zijn. De jongen was Cameron Crowe en hij werd vlak hierna aangenomen als redacteur bij Rolling Stone – met vijftien jaar hun jongste redacteur ooit.

Tegenwoordig maakt Cameron Crowe (1957, Palm Springs, Californië) films. Hij regisseerde onder meer Singles (1992), Jerry Maguire (1996) en in 2000 Almost Famous, sinds kort in Nederland te zien. Almost Famous vertelt een deel van Crowe's eigen levensverhaal. Hoe hij als scholier wist binnen te dringen in de Amerikaanse rockscene van begin zeventig, en zijn verhalen sleet aan Rolling Stone. In Almost Famous gaat Crowe's alter ego William Miller mee op tournee met de fictieve groep Stillwater. Zijn eerste reportage gaat over het leven on the road, over de groupies, bandruzies en een beetje over drugs. William Miller is een verlegen maar onverstoorbare adolescent, die doelgericht de muzikanten benadert, hoe stoned of slaperig ze ook zijn. In het echte leven van Cameron Crowe betrof het hier een tournee met The Allman Brothers Band en waren de verwikkelingen nog wat extremer dan in Almost Famous – met paranoïde bandleden zoals Gregg Almann die een stapel interview-tapes van Crowe afpakte omdat hij te veel over zijn broer Duane (verongelukt in 1971) had losgelaten.

Maar de ontmoeting met Lester Bangs, bij die radiostudio in Los Angeles, is historisch verantwoord. In Almost Famous draagt Lester Bangs (Philip Seymour Hoffman) ook het T-shirt van Guess Who, en al is het geen odorama, je kunt bijna ruiken dat de acteur zich ter inleving in zijn onderwerp waarschijnlijk in geen weken heeft gewassen. De imposante Philip Seymour Hoffman (Happiness, Magnolia) speelt Bangs zo flamboyant en gedreven als hij in het echt ongetwijfeld ook was. En al is zijn optreden maar kort, als kijker begrijp je dat hier een fundament wordt gelegd: eerlijk en meedogenloos – dat zal die kleine jongen met zijn grote heldere ogen wel worden.

Aan Rolling Stone vertelde Cameron Crowe vorig jaar dat zijn moeder en Lester Bangs samen zijn achterban vormden. Moeder Crowe (in de film gespeeld door Frances McDormand) hield hem op het rechte pad (`Neem geen drugs'); Bangs was zijn journalistieke geweten (`Write from the heart'). In de eerste jaren van Crowe's carrière bij Rolling Stone hielden de twee contact. Als Crowe hem bijvoorbeeld vertelde dat hij Rod Stewart had geïnterviewd, antwoordde Bangs zoiets als: `Great, Rod Stewart...fat, sassy, rich, sitting in a nice, big hotel room. Am I right?' Als Crowe dat beaamde, zei Bangs: `And do you know what your purpose was coming into that room? To keep him in that rich, fucked-up hotel room.' Bangs was de underdog die ageerde tegen de steeds groter wordende invloed van de platenmaatschappijen.

In 1970 was hij al opgestapt bij Rolling Stone omdat hij het blad te commercieel vond. Bangs werd vervolgens gevraagd als redacteur van het rebelse muziektijdschrift Creem uit Detroit. Creem (de naam was een verbastering van de Engelse groep The Cream) was ontstaan uit de rockgroep MC5 en de politieke White Panther-beweging, en had naam gemaakt als tegendraads en avontuurlijk muziekblad. Patti Smith schreef erin, evenals Nick Tosches (die in 1982 Hellfire zou schrijven, de beroemde biografie van Jerry Lee Lewis) en Richard Meltzer. Het eigen leven en hun onderwerp liep niet zelden in elkaar over. Ze werden de `noise boys' genoemd, Bangs, Tosches, Meltzer, en ze betekenden voor de popjournalistiek wat mensen als Hunter S. Thompson en Tom Wolfe voor de journalistiek in het algemeen betekenden.

Buttfuck

De redacteuren van Creem woonden als commune in een boerderij even buiten Detroit en kregen allemaal hetzelfde loon: $22,50 per week. Overdag dronken ze, 's nachts schreven ze. Het was er een zooitje. Lester Bangs liet zijn hond, Buttfuck, poepen onder de tafel van collega David Marsh, die op een dag de drollen terugstopte in Bangs' typemachine. Dat leidde tot een vechtpartij waarbij de twee mannen plus hond van de trap van de waranda rolden. Ondertussen waren de bossen rond de boerderij bevolkt met door verrekijkers turende FBI-agenten die vermoedden dat zich in die commune allerlei subversiefs afspeelde.

Lester Bangs wàs Creem. Hij werd de populairste redacteur en de belichaming van alles wat uitzinnig en grotesk was. Een aantal artikelen en interviews zijn na Bangs' dood, in 1982, door Greil Marcus samengebracht in de bundel Psychotic Reactions and Carburator Dung. Alleen al de titels zijn de moeite waard, zoals: `I saw God and/or Tangerine Dream'; `Where were you when Elvis died?'; `Let us now praise famous death dwarves'. In het voorwoord zegt Greil Marcus dat Bangs vooral op dreef was over muzikanten waar hij niet veel voor voelde, dat hij anders te sentimenteel werd. Uitzondering daarop waren de artikelen over zijn allergrootste held, Lou Reed. Hem beschreef hij als een uitgeteerd insect, en Reeds `vriendin' – de travestiet Rachel – als een Ding; `niet alleen grotesk, het was abject, als iets dat slinks naar binnen was geglipt toen Lou 's ochtends de deur opendeed om de melk en de kranten te pakken'. Als reactie zei Reed over hem: `Lester Bangs, die zou ik nog niet eens op zijn snor willen schijten.' In 1975 was Bangs naar New York verhuisd, omdat hij genoeg had van het provinciale Detroit, en omdat in New York op dat moment de punk losbarstte. Hij verliet ook Creem en deed verslag van de punkbeweging voor The Village Voice en de Engelse New Musical Express. Bangs bracht zijn avonden door in CBGB op the Bowery, bij optredens van Blondie, Talking Heads, The Ramones en Richard Hell. Maar eind jaren zeventig verloor hij zijn interesse in de muziekjournalistiek. Zijn voorspelling was uitgekomen: geld regeerde de popindustrie en na de punkuitbarsting werd de muziek er niet beter op.

Een nieuwe carrière lag voor de hand. Bangs ging zelf zingen en liedjes schrijven. Hij experimenteerde wat met de toen nog onbekende Laurie Anderson, en richtte de band Birdland op, met onder anderen gitarist Robert Quine. Maar al werden zijn teksten gewaardeerd, de concerten waren chaotisch en ongeïnspireerd. En hij had pech. Op de avond dat Birdland eindelijk kon schitteren in een grote zaal, was de Dallas-aflevering op tv waarin JR werd vermoord, en iedereen, ook Bangs' vrienden, bleef thuis om te kijken.

Rond 1980 stierven een aantal van zijn oude collega's en kennissen aan drugs en drank. Bangs besloot zijn eigen verslavingen (speed, hoestsiroop, drank) te bestrijden bij de Narcotics Anonymous en vond een afdeling in de Lower East Side speciaal voor rock `n' roll-slachtoffers. Maar in 1982, toen hij uiteindelijk was afgekickt van de alcohol, overleed hij aan een paar valiumpillen, naar verluid omdat zijn `schone' systeem die aanslag niet meer aankon. Op zijn pickup lag Dare, het debuut van de Engelse groep Human League.

Nu, twintig jaar later, zijn zijn Newyorkse tijdgenoten nog volop in beeld. Blondie is weer bij elkaar; Talking Heads-zanger David Byrne stond vorige week in Paradiso; Lou Reed is afgekickt en al jaren verloofd met Laurie Anderson. Alleen Lester Bangs leek vergeten. Totdat er vorig jaar een uitstekende biografie verscheen (Let It Blurt, van Jim DeRogatis), en Cameron Crowe zijn liefdevolle maar rauwe eerbetoon maakte. Bangs kan tevreden zijn. `Eerlijk en meedogenloos', dat is Crowe inderdaad geworden.

De film `Almost Famous' draait in het hele land.

`Let It Blurt. The Life & Times of Lester Bangs, America's Greatest Rock Critic' door Jim DeRogatis. Uitg. Broadway Books, 2000.

`Psychotic Reactions and Carborator Dung, by Lester Bangs'. Redactie Greil Marcus. Uitg. Heinemann, Londen, 1987.