Mijn Vader

Mijn vader geboren in 1903 hield niet speciaal van kippen. Mijn moeder ook niet. Maar mijn vader hield wel van mijn moeder, en mijn moeder hield weer veel van kakelverse eieren. Dus kreeg mijn moeder kippen van hem. Het waren kleine bruine krielkippen uit Barneveld. Eerst was er ook een haan bij, maar die vond mijn vader vals, en op een dag was hij opeens weg. ,,Weggevlogen'', zei mijn vader, ,,sommige hanen doen opeens of ze een reiger zijn, en dan kunnen ze over de daken heenvliegen''. De kippen gaf hij allemaal een naam die op een a eindigde, want dat vond hij de mooiste namen. Hilda, Johanna, Juliana, Francella, Pia, Maria, naar mijn moeder, Andrea, Pieterdina, Laura en Vasca Tirolia, die had hij zelf verzonnen. Die kip vond hij kakelen alsof ze in de bergen jodelde. Maar de pech was dat de kippen niet genoeg eieren legden naar de zin van mijn moeder. Elke dag hoorde je haar in de tuin zachtjes schelden tegen de kippen. ,,Wij zijn met zijn zessen en jullie met zijn tienen, en ik zie maar vijf van die kleine bruine eitjes.'' Kwaad gooide ze een handje graan in het kippenhok.

Op zondagochtend zaten we aan het ontbijt. We hadden allemaal een gekookt ei, alleen mijn moeder niet. Toen kwam mijn vader binnen met een heel groot wit ei, zette het in het lege e van mijn moeder, en draaide het ei zo, dat wij alleen het blauwe stempel er op zagen staan.

,,Er is vandaag een wonder gebeurd'', zei hij. ,,Het is niet voor niets zondag.''