Leuk voor later: belasting op vergrijzing

Robin Hood wist het wel. Je moet het halen waar het zit. Bij de rijken.

Wordt staatssecretaris W. Bos (PvdA) van Financiën de held van de 21ste eeuw, die het geld haalt bij de verzekeraars en de pensioenfondsen om het te verdelen onder ouderen die alleen AOW hebben?

Samen beheren de pensioenfondsen en verzekeraars een slordige 1.500 miljard gulden, bijna het dubbele van de jaarlijkse productie van de BV Nederland. En de geldbergen zullen blijven groeien, nog jaren, ook als na 2010 de vergrijzing op gang komt en de babyboomers met pensioen gaan.

Voorlopig gaat het alleen om een aanbeveling aan Bos. Of het mogelijk is op een deel van de reserves van verzekeraars en het rendement van pensioenfondsen belasting te heffen. Dat zou eens onderzocht moeten worden. Het is een van de aanbevelingen van de commissie-Van Rooy, die op verzoek van het kabinet de Nederlandse vennootschapsbelasting in internationaal perspectief heeft onderzocht.

De pensioenfondsen zijn sinds jaar en dag vrijgesteld van winstbelasting. Ook zijn de pensioenpremies fiscaal aftrekbaar. De filosofie daarachter is dat mensen belasting betalen zodra zij hun pensioen krijgen.

Van Rooy's advies valt in vruchtbare aarde. De Belastingdienst is klaarwakker. Ondernemende pensioenfondsen kunnen tegenwoordig al op een aanslag rekenen. Pensioenfonds PGGM (zorg en welzijn) moest vorig jaar bakzeil halen na een aangekondigd miljardenbod op de beursgenoteerde beleggingsmaatschappij Calvé-Delft. Bij het doorzetten van het bod zou Financiën ,,ernstige sancties'' tegen PGGM nemen, meldde Calvé-Delft onlangs in zijn jaarverslag. Die kwalificatie is alarmerender dan de neutrale termen die PGGM aanvankelijk bezigde.

Al eerder werd met begerige blikken naar het Finanzkapital gekeken. O. Ruding liep als minister van Financiën met plannen rond om de pensioenvermogens te belasten.

Directeur F. Prins van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen, waarbij giganten als ABP (onderwijs en overheid) en PGGM zijn aangesloten, kreeg een déjà vu-gevoel. ,,Een jaar of tien terug is de zaak al bekeken'', zei hij in FEM/De Week. Toen gebeurde niets. ,,Ik ben ervan overtuigd dat als het opnieuw bekeken wordt, de uitkomst dezelfde is.''

Ondertussen moet de bestuurder van een doorsnee pensioenfonds tureluurs worden van het zigzaggende kabinet. Eerst moesten de fondsen onder liberale druk hun ambities voor een financiële supermarkt opgeven. De pensioenbeheerders doen nu volgens de zogeheten taakafbakening de collectieve pensioenregeling, de verzekeraars de rest. De beloning voor de pensioenfondsen: zij hielden hun belastingvrijstelling.

Vervolgens kreeg de pensioensector een pluim van het kabinet. De traditionele pensioenregelingen sluiten beter aan op de veranderde samenleving en de kosten zijn niet gestegen. Hun beloning: de fiscale aftrekbaarheid van pensioenpremies blijft gehandhaafd.

De bestendiging van de fiscale afspraken was mede ingegeven door de angst voor de vergrijzingskosten. Onlangs becijferde de OESO, de club van de grote industrielanden, dat de overheidsuitgaven die samenhangen met vergrijzing (met name pensioenen en gezondheidszorg) de komende 50 jaar in Nederland bijna twee keer zo snel zullen stijgen als het OESO-gemiddelde.

Met dergelijke kosten in het verschiet ligt belastingheffing op de vermogens voor toekomstige pensioenuitkeringen niet voor de hand, zou je zeggen. Maar in Den Haag zijn de opvattingen aan het schuiven.

De studiegroep begrotingsruimte, een club van topambtenaren en adviseurs (De Nederlandsche Bank, Centraal Planbureau) sprak deze week sussende woorden over de kosten van de vergrijzing en de bijkomende stijging van de zorguitgaven.

Toch zijn de bedragen en percentages indrukwekkend: jaarlijks 8 procent meer uitgaven tot 2040, oplopend van 12 naar 20 procent van het bruto binnenlands product. Elke procentpunt groei komt overeen met 10 miljard gulden.

Volgens de studiegroep kan de helft van de stijging worden betaald uit de premie- en belastingopbrengsten op méér en hogere pensioenuitkeringen. De andere helft kan worden betaald doordat relatief meer mensen (blijven) werken en door lagere rentelasten van de overheid. De staatsschuld moet in 2025 ,,volledig afgebouwd'' zijn, waarmee wordt bedoeld: afgelost.

Die Haagse fixatie op aflossing is een vreemd fenomeen. Vooral nu de kabinetsadviseurs impliciet erkennen dat de burgers tegen die tijd aantrekkelijke inkomens en aanzienlijke vermogensoverschotten hebben. `Volledige aflossing' wordt vaak aangeprezen met het argument dat de huidige generatie haar kinderen niet met ,,oude'' schulden moet opzadelen. Dat suggereert dat er een specifiek moment is waarop de samenleving van de huidige generatie aan de volgende wordt overgedaan. Dat moment bestaat niet. De samenleving wordt dagelijks overgedragen.

Volledige aflossing gaat tevens voorbij aan het feit dat tegenover schuld ook productief vermogen staat, van infrastructuur tot onderwijs. Het is zinloos om nu productieve investeringen met schuldfinanciering, bijvoorbeeld in milieuverbetering, achterwege te laten wegens de vergrijzing.