Lastenverlichting vergroot het welzijn niet of nauwelijks

Betere collectieve voorzieningen leiden eerder tot welzijn en geluk van de burger dan continue lastenverlichting, menen Kees en Maarten Vendrik. Een nieuwe bolide kan dan wel een kick geven, na een tijdje is de nieuwigheid eraf.

De afgelopen zeven jaar hebben twee paarse kabinetten zo'n 27 miljard gulden besteed aan lagere belasting- en premiedruk. Een hoogtepunt vormde de 8 miljard gulden `smeergeld' die dit jaar nodig werd geacht voor invoering van het nieuwe belastingstelsel. Voor 2002 heeft het kabinet besloten tot 2,3 miljard aan lastenverlichting. Het valt te verwachten dat lastenverlichting of -verzwaring voor de komende kabinetsperiode een prominente plaats op de politieke agenda zal innemen.

Een element dat in de discussie relatief weinig aandacht krijgt is het nut van een verdere lastenverlichting. Natuurlijk was menigeen blij verrast toen het loonstrookje van afgelopen januari een flinke verhoging van het netto-inkomen te zien gaf als gevolg van de belastingherziening. De economische theorie neemt dan aan dat mensen er in hun welzijn (nut in het economisch jargon) op vooruitgaan. Sociaalwetenschappelijk onderzoek van onder meer de Rotterdamse socioloog Ruut Veenhoven over de korrelatie tussen inkomen en geluk geeft echter een heel ander beeld. Boven een bepaald inkomensniveau zijn de inwoners van rijke landen niet gelukkiger dan inwoners van minder rijke landen. En binnen rijke landen zijn mensen met hoge inkomens nauwelijks gelukkiger dan mensen met lagere inkomens. Veenhoven verklaart deze bevindingen door het optreden van verzadiging.

Waarom hechten mensen in rijke landen dan toch zoveel belang aan een toename van hun inkomen? Deze vraag wordt geanalyseerd in het in 1999 verschenen boek Luxury Fever van de Amerikaanse econoom Robert Frank. Ondanks het feit dat Amerikanen er uiteindelijk niet gelukkiger door worden, zijn ze bereid zich diep in de schulden te steken voor een nóg duurdere auto en een nóg groter huis. Zo maak je indruk op je omgeving. Dit verhoogt jouw welzijn, maar gaat ten koste van het welzijn van anderen. Bovendien willen je vrienden hier niet bij achterblijven en zullen ook zij een duurdere auto aanschaffen. Hierdoor wordt je oorspronkelijke welzijnswinst tenietgedaan en ben je er met elkaar niet in welzijn op vooruitgegaan, maar alleen een hoop extra geld kwijt.

Een tweede reden waarom mensen snel geneigd zijn een duurdere auto aan te schaffen is dat zij de gelukstoename als gevolg hiervan overschatten. Want na verloop van tijd is de nieuwigheid eraf en valt men terug in het oude geluksniveau. Bij veel goederen en diensten treden zowel dit gewenningseffect als het bovenstaande statuseffect op. Frank spreekt dan van positionele goederen. Door beide mechanismen zal de consumptie van positionele goederen hoger zijn dan wat maatschappelijk efficiënt en wenselijk is, omdat een hoop geld wordt besteed dat niets oplevert in termen van duurzaam welzijn en dat beter op een andere manier kan worden aangewend. Bijvoorbeeld ten bate van publieke voorzieningen zoals schoner drinkwater, beter onderhoud van wegen, een beter vervoerssysteem voor woon-werkverkeer, hogere salarissen voor onderwijzers en leraren en meer vrije tijd voor sport en sociale contacten.

Hij maakt aannemelijk dat dit soort geld- en tijdsbestedingen veel minder onderhevig zijn aan status- en gewenningseffecten. Als gevolg hiervan is de consumptie van deze niet-positionele 'goederen' lager dan wat maatschappelijk efficiënt en wenselijk is.

Om deze consumptie te kunnen verhogen en om de groei in consumptie van positionele goederen af te remmen, beveelt Frank een progressieve consumptiebelasting aan. Een soort inkomstenbelasting met aftrek van alle bedragen die men spaart of belegt. Zij lijkt op de inkomstenbelasting in ons belastingstelsel, omdat hierin pensioenpremies aftrekbaar zijn. Aan de hand van empirisch onderzoek beargumenteert Frank dat zo'n consumptiebelasting niet alleen de inkomensverdeling minder ongelijk maakt, maar ook de economische groei kan stimuleren.

Mede als gevolg van de lastenverlichtingen van de afgelopen tien jaar is ook in Nederland de luxeconsumptie sterk toegenomen en lijkt ook hier sprake van overconsumptie van positionele goederen. Deze overconsumptie is ten koste gegaan van collectieve uitgaven voor met name onderwijs en gezondheidszorg. Volgens gegevens van het ministerie van Onderwijs en het CPB zijn de uitgaven aan onderwijs en zorg als percentage van het BBP gedaald van respectievelijk 5,3 procent en 9,9 procent in 1994 tot 4,6 procent en 8,8 procent in 2000 (raming).

In de context van bovenstaande analyse is natuurlijk de hamvraag in hoeverre onderwijs- en zorgdiensten gezien kunnen worden als niet-positionele goederen. Voor basisvoorzieningen als lager en middelbaar onderwijs en basiszorg lijkt dit zeker op te gaan. In deze sectoren zijn tekorten ontstaan en is nog lang geen sprake van verzadiging. Het aanwenden van meer geld voor deze sectoren, mits efficiënt gebruikt, kan daarom tot een blijvende maatschappelijke welzijnsverbetering leiden. Ten aanzien van de geavanceerde medische voorzieningen en hoger onderwijs liggen de zaken genuanceerder. In deze sectoren lijken gewennings- en statuseffecten een rol te spelen, maar zijn er aan de andere kant niet veel tekenen van verzadiging. In het hoger onderwijs is tussen 1980 en 1995 flink bezuinigd. De wachtlijstenproblematiek in de gezondheidszorg wijst erop dat realisaties hier achterlopen bij toegenomen mogelijkheden en dat ook hier duurzame welzijnswinsten vallen te behalen.

De recent afgesloten CAO's in de zorg en het onderwijs vormen een begin van een betere beloning in de collectieve sector. Onduidelijk is of in de lopende begroting van met name de zorg hiervoor de benodigde middelen aanwezig zijn. Het risico bestaat dat de sector zelf (een deel van) de salarisverbetering moeten financieren, wat ten koste gaat van het volume en tot hogere wachtlijsten zal leiden. In dat geval zal opnieuw extra geld nodig zijn voor een gezonde financiering van de zorg.

Meer geld voor een betere collectieve dienstverlening kan worden opgebracht door lastenverlichtingen voor burgers achterwege te laten. Nu het Centraal Planbureau voorziet dat in de komende kabinetsperiode slechts 7 miljard aan te besteden vrije ruimte ontstaat, moet zelfs overwogen worden om de lastenverlichting die in de afgelopen jaren aan bedrijven en burgers is gegeven, deels ongedaan te maken. Deze hogere lasten zijn te rechtvaardigen als de burger aanspraak kan maken op betere collectieve voorzieningen.

Lastenverlichtingen moeten in ieder geval worden uitgesloten want die zullen immers vooral de groei in consumptie van positionele goederen stimuleren en derhalve niet tot een wezenlijke toename van het welzijn van burgers leiden. Mutatis mutandis zullen lastenverhogingen niet een wezenlijke afname van het welzijn teweegbrengen. Daarentegen zal een substantiële verbetering van onderwijs en zorg bijdragen aan een meer humane en gelukkige samenleving.

Kees Vendrik is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de fractie van GroenLinks. Maarten Vendrik is werkzaam in het departement Algemene Economie van de Universiteit Maastricht.