Lang leve de verliezer!

Wat iemand tot de nationale cultuur rekent, wordt bepaald door de tijd waarin hij of zij opgroeide. Zestiende aflevering van een zoektocht naar de kern van de Nederlandse cultuur.

In het hol van de leeuw, het Amsterdamse Rijksmuseum, staat hij nog tot en met 16 september uitgestald: de beker van het wereldkampioenschap voetbal die in 1974 door de Deutsche Mannschaft ten koste van het Nederlands elftal werd veroverd. De monstrueuze bokaal is in de schatkamer van de Nederlandse cultuur het pronkstuk van de tentoonstelling Zimmer frei – als het tastbare bewijs van de moeizame naoorlogse relatie tussen Nederland en Duitsland. Maar hij is ook het symbool van iets veel omvattenders: de Nederlandse obsessie met verlies, de Hollandse neiging om te zwelgen in de bevestiging van het eigen onvermogen.

De verloren WK-finale van 7 juli 1974 – anticlimax van een toernooi waarin Oranje de sterren van de mat had gespeeld – staat bekend als een van de grote collectieve trauma's uit de Nederlandse naoorlogse geschiedenis; een lieu de mémoire die niet naar de achtergrond is gedrongen door de winst van het Nederlands elftal in het Europese kampioenschap van 1988, en ook niet door het dramatische verlies van Oranje tegen Italië (vijf gemiste strafschoppen) in de halve finales van Euro 2000. Toen ik zeven jaar geleden voor deze krant een reportage schreef over Het Trauma Dat Een Generatie Tekende, bleek dat `7-7-74' voor Nederlanders boven de dertig dezelfde gevoelswaarde had als de dood van John F. Kennedy voor oudere Amerikanen. Iedereen wist nog precies wat hij of zij deed op de dag dat het superieure totaalvoetbal van aanvoerder Cruijff en trainer Michels met 2-1 ten onder ging tegen gastheer West-Duitsland.

Zevenenwintig jaar na dato zijn de emoties niet geluwd. `München 1974' figureert nog steeds regelmatig in kranten, boeken, speelfilms en toneelstukken, terwijl in documentaires op tv iedere paar jaar opnieuw het wedstrijdverloop wordt geanalyseerd. Met hetzelfde fanatisme waarmee het verliezende team in 1974 als morele overwinnaar werd ingehaald (tienduizend mensen op Schiphol, lintjes en polonaise in de tuin van het Catshuis), blijft Nederland zichzelf maar al te graag zout in de wonden wrijven. Want het verlies was dan misschien pijnlijk, het heeft ook een onweerstaanbare heroïek. Of zoals columnist Jan Mulder het uitdrukte in Brilliant Orange (Het land van Oranje), David Winners recente boek over `kunst, kracht en kwetsbaarheid van het Nederlandse voetbal': ,,We praten nog steeds over dat geweldige team dat verloren heeft, omdát het verloren heeft. Als ze gewonnen hadden, zou het minder interessant zijn, veel minder romantisch.''

In Brilliant Orange, dat de ruimtelijkheid van het Nederlandse voetbal onder meer in verband brengt met de polders van Lely en de schilderijen van Saenredam, formuleert David Winnen het `Elfde Gebod' voor de Nederlanders: gij zult mooi spelen, winnen is bijzaak. Noem het een erfenis van het calvinisme of een uitvloeisel van de predestinatieleer (met zijn nadruk op de onveranderlijkheid van de lotsbestemming), maar in de Nederlandse cultuur ligt de sympathie bij de losers. Zíj zijn het die op handen worden gedragen – mits ze in schoonheid gestorven zijn, of ten minste met stijl verloren hebben. Want een winnaar is goed, maar een verliezer is beter: die spreekt tot de verbeelding.

Ziedaar de verklaring voor de haast legendarische status van Joop den Uyl, een weinig succesvol minister-president (`uit de tijd van Cruijff' zei Wim Kan ooit) die het onderspit dolf tegen een uitgekookte tegenstrever omdat hij met zoveel gratie bleef vasthouden aan zijn politieke idealen. Of voor de populariteit van die andere Joop, en eeuwige tweede, de wielrenner Zoetemelk, die in een even sobere als onverzettelijke stijl zeven keer een tweede plaats in de Tour de France behaalde. Het zijn twintigste-eeuwse neefjes van een van de aartsvaders van de Hollandse verliezerscultuur: Vincent van Gogh, het kleurrijke genie dat niet alleen zijn oor afsneed en zelfmoord pleegde, maar ook tijdens zijn leven geen schilderij verkocht.

In het Hollandse maaiveld kraait de verliezer koning; `de lucht hangt er laag en de zon wordt er langzaam in grijze veelkleurige dampen gesmoord', dichtte Marsman. Wat weer doet denken aan de opmerking die H.J.A. Hofland in zijn bijdrage aan `In het holst van Nederland' maakte naar aanleiding van de vernacheling van het Plan Zuid van Berlage: ,,We zijn hier bij tijd en wijle niet bang voor een flinke visie, een groot plan [...] Maar als het voltooid is, of bijna voltooid, kan zich iets van ons meester maken dat ik moeilijk te benoemen vind. Is het nonchalance? Zijn we van onze eigen moed geschrokken? Vergeten we wat we van plan waren? Generen we ons en verloochenen we [...] op het nippertje de grote daad?''

Wat telt in Holland is niet het afmaken, maar de gratie waarmee je iets probeert – in het dagelijks leven, in de populaire cultuur, en bij uitstek in de literatuur. Het is geen toeval dat bij de verkiezing van Nederlands Favoriete Gedicht, die anderhalf jaar geleden door NRC Handelsblad en Poetry International werd georganiseerd, verzen over vergeefsheid en heroïsche verliezers het best scoorden. De populairste dichter (met zeven gedichten in de Top 100) was J.C. Bloem, met teksten als `Alles is veel voor wie niet veel verwacht' en `Het had zoveel erger kunnen zijn' de wegbereider van de polderblues. En ook de hoge noteringen van P.N. van Eycks `De tuinman en de dood' (een knecht doet een dappere maar gedoemde poging om per paard aan zijn lot te ontkomen) en Elsschots `Het huwelijk' (`want tussen droom en daad/ staan wetten in den weg en praktische bezwaren') spraken boekdelen.

En dan het proza. Kenmerkt de stijl van de gemiddelde Nederlandse roman zich door bespiegeling en angst voor spreektaal, het verhaal concentreert zich meestal rondom een hoofdpersoon die faalt. De canon van de moderne literatuur na Multatuli (nomen est omen!) is een parade van heldhaftige mislukkelingen en geïdealiseerde underdogs – van de gedroogstoppelde Max Havelaar tot de drogist en de vioolbouwer uit Publieke werken van Thomas Rosenboom. Waarbij we het werk van de honorary Dutchman Willem Elsschot, schepper van voornamelijk ijdele strevers, niet eens meerekenen. Zijn beroemde novelle Kaas is niet alleen in titel zo Hollands als ze maar zijn kan, met een hoofdpersoon die alles in zich heeft om een groot handelaar te worden en niettemin mislukt.

`Een groot dichter zijn en dan vallen' is de terugkerende verzuchting in Nescio's Dichtertje, een van de meest Hollandse verhalen van de afgelopen eeuw. Niet: een groot dichter worden en dat blijven. Voor Nescio, en voor zijn lezers, is het genoeg dat iemand met talent überhaupt een poging waagt; succes is voor zijn hoofdpersoon even onbelangrijk als voor het Nederlands elftal, want het is – om een andere Hollandse schrijver in herinnering te roepen – karakter waarop je wordt afgerekend. Het dichtertje eindigt gek en dood, maar evengoed als een held – zoals de Titaantjes uit de gelijknamige andere beroemde novelle van Nescio door generaties lezers bewonderd zijn omdat ze het zo heldhaftig afleggen tegen het burgerdom.

De lijn valt door te trekken. Gerard Reve, een bewonderaar van Nescio, schiep met Frits van Egters een naoorlogs titaantje dat groots was in het uitventen van zijn geboren-verliezerschap. W.F. Hermans wijdde de mooiste romans van de naoorlogse literatuur – De donkere kamer van Damocles en Nooit meer slapen – aan twee ultieme losers: de gestrande geoloog Alfred Issendorf en de verzetsheld-collaborateur Henri Osewoudt. Remco Campert, Simon Carmiggelt, Peter van Straaten en Drs.P (`Terwijl de wolven mij verslinden, denk ik: Dat is pech/ Ja, Omsk is een mooie stad, maar net iets te ver weg') bouwden een oeuvre op de komische verschijningsvormen van deze archetypen. Hoe kan het ook anders in een land waar in kinderliedjes gezongen wordt over helden als Berend Botje (de ontdekkingsreiziger die nooit weerom komt) en het Meisje Loos (de zeevaarster die eindigt als prostituée).

Nergens bang voor en toch verliezen. Is dat de kern van de Nederlandse cultuur? Als je het mij vraagt wel, maar mijn blik is gekleurd. Als kind van de jaren zeventig (tien jaar in juli 1974) ben ik gepokt en gemazeld in verliezersverheerlijking. Ik huilde in het Franse café waar ik in streperig zwart-wit de beker aan Oranje voorbij zag gaan – maar troostte me met het feit dat Cruijff, Neeskens, Krol, Van Hanegem en al die anderen het mooist en het best hadden gespeeld. Ik was teleurgesteld toen het mythische `tweede kabinet-Den Uyl' er niet kwam, maar geloofde trots dat dat niet de schuld was van de witte ridder van de PvdA. Ik had de pest in toen Nederland in 1978 opnieuw de finale van het WK voetbal (van en in Argentinië) verloor, maar prees het Nederlands elftal omdat het er (onbewust?) voor had gezorgd dat het de hand van de dictator Videla niet hoefde te schudden. En in de kunst waren het eerder de losers (Swiebertje, Heer Bommel, Koot van het Simplisties Verbond) die me aanspraken dan typische winners als Juffrouw Ooievaar, Tom Poes en de succesvolle hitparadegroep BZN.

Het is duidelijk: de jaren zeventig waren mijn holst van Nederland, zij hebben mijn kijk op de Nederlandse cultuur bepaald. Dat is niet uitzonderlijk, want iedereen wordt gevormd door de tijd waarin hij is opgegroeid en zal de canon van zijn of haar (school)generatie als cultureel erfgoed beschouwen. Deze CS-serie is daar een mooie illustratie van. Op zoek naar de kern van Nederlandse cultuur kwam iedereen bij iets anders uit, of het nu gebrek aan zelfrespect was of angst voor genieten, platheid of polderromantiek. Maar de voorbeelden van `typisch' Nederlandse kunst die daarbij werden genoemd, weerspiegelden de tijd waarin de verschillende auteurs waren opgegroeid. De oudsten noemden het Plan Berlage, het radiostation Kootwijk en Harry Mulisch. Veertigers noemden Wolkers, Ed van der Elsken en Chr.J. van Geel. Een jonge dertiger kwam aan met Paul Verhoeven en André van Duin. Het was geen overbodige luxe geweest om achter de naam van iedere contribuant zijn of haar leeftijd te zetten.

In haar bijdrage aan `In het holst van Nederland' verwierp Elsbeth Etty (1951) met kracht het idee van een nationale cultuur en een nationale smaak. `De wereld is mijn vaderland' schreef ze, en: ,,Het meest verwant voel ik me met mensen van mijn generatie die zijn gevormd door de grensoverschrijdende cultuuruitingen (popmuziek, film, literatuur) van de jaren zestig en zeventig, of de liefhebbers daarvan nu uit Warschau, Washington, Wenen of Wormerveer komen.'' Ik maak me sterk dat deze `overtuigde internationaliste' nog teleurgesteld zou opkijken als ze met een Bob Dylan-fan uit Polen of een liefhebber van The Godfather-cyclus uit Duitsland geconfronteerd zou worden. Want cultuur mag dan een generatiekwestie zijn, en grensoverschrijdend, ze wordt altijd beïnvloed door het land waarin je bent opgegroeid. De Al Pacino van Pieter Steinz (1963) staat heel wat dichter bij die van Elsbeth Etty dan bij die van Joschka Fischer (1948) – al was het alleen maar omdat Nederland zich altijd verre heeft gehouden van de nasynchronisatie van films voor volwassenen.

Dat neemt niet weg dat buitenlandse cultuur een belangrijk onderdeel is van wat onderscheiden generaties beschouwen als hun `nationale cultuur'. Maar dan wel in een gefilterde, Nederlandse, vorm. Voor mij en mijn generatiegenoten horen Pippi Langkous, Asterix en Lou Reed evenzeer tot `ons' Nederlands erfgoed als de Fabeltjeskrant, Agent 327 en Herman Brood. Maar dan wel de Pippi Langkous van de televisieserie die zo hilarisch sloom was nagesynchroniseerd; de Asterix in de uitstekende Nederlandse vertaling die zinnetjes als `Rare jongens die Romeinen' en `B''' f'isjes' legendarisch maakte; en de Lou Reed van het album Berlin, dat internationaal flopte, maar in Nederland door popjournalisten tot een onnavolgbaar meesterwerk werd uitgeroepen.

Gedeeld erfgoed is een generatiekwestie, en ik zal de laatste zijn om te ontkennen dat jeugdsentiment daarin een belangrijke rol speelt. Want als puntje bij paaltje komt, is nostalgie de hoeksteen van ieders nationale cultuur.

Volgende week begeeft Hester Carvalho zich in het Holst van Nederland