Kritische sporter vindt geen gehoor

Mede op initiatief van oud-roeister en olympisch medaillewinnares Irene Eijs is vorige week de Europese atletencommissie in het leven geroepen. Een succes waar de voorzitter van de Nederlandse atleten-commissie trots op is.

Wennen doet het nooit, maar Irene Eijs (34) kijkt er niet meer van op als weer een muur van conservatisme geslecht moet worden. Zo zit de wereld van sportbestuurders nu eenmaal in elkaar. Atleten die morrelen aan de macht hoeven op weinig sympathie te rekenen. Vandaar dat de voorzitter van de Nederlandse atletencommissie elke vordering in het belang van de sporter koestert. ,,Je kunt niet alles in één klap veranderen, dat moet in stapjes.''

Gelet op de behoudende mores is de vorming van de Europese atletencommissie een kleine revolutie, waarvoor zelfs Jacques Rogge, kandidaat-voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), zich sterk maakte. Eijs, in het dagelijks leven als research-manager werkzaam bij een marketingbedrijf, spreekt van `een win-win-situatie'. Rogge kan als voorzitter van de vereniging van Europese Olympische Comités (EOC) goede sier maken met een atletencommissie, terwijl de atleten uiteindelijk kregen wat ze vroegen.

Eijs is trots op het resultaat, mede door de verkiezing van de Nederlandse oud-volleyballer Peter Blangé in het acht leden tellende gezelschap. De Europese atletencommissie zal in haar ogen daadwerkelijk de stem van de sporter vertolken. Dat kan van de atletencommissie van het IOC moeilijk gezegd worden. ,,De Europese leden zijn rechtstreeks gekozen door de 38 in Rome aanwezige atletenvertegenwoordigers. Dat geldt niet voor de IOC-commissieleden. Die zijn tijdens de Olympische Spelen gekozen door een relatief gering deel van de aanwezige atleten en hebben geen achterban. Ze komen twee keer per jaar bij elkaar en hun inzet wordt vooral bepaald door de inhoud van hun portemonnee. Johann Olav Koss (de oud-schaatser, red.) kan het zich financieel permitteren om veel te reizen, maar de meeste anderen moeten hun agenda creatief indelen.''

Bovendien worden atleten binnen het IOC niet altijd gezien als belangenvertegenwoordigers. ,,Anton Geesink beschouwt de atletencommissie als een kweekvijver voor IOC-leden'', weet Eijs. ,,Binnen het IOC wordt geredeneerd: we hebben een atletencommissie, dus we luisteren naar de atleet. En ook nog democratisch gekozen; geen speld tussen te krijgen. Maar op die manier is het niet meer dan een goedmaker, want zo lang ze niet luisteren naar wat de atleten zeggen, heb je ook niets aan een atletencommissie. In Europa is dat nu anders, daar hebben we een voet tussen de deur.''

De Europese atletencommissie is mede de verdienste van Erica Terpstra, die als lid van het uitvoerend comité van het EOC belangrijke contacten voor de Nederlandse initiatiefnemers heeft gelegd. Desondanks heeft Eijs ambivalente gevoelens over de houding van de oud-staatssecretaris. ,,Terpstra vindt het belangrijk dat de sporters goed worden gehoord, maar ook dat ze zelf goed overkomt. Ook Erica heeft haar agenda. Wij hadden een uitgesproken mening over de manier waarop atleten vorige week in Rome moesten discussiëren. Terpstra kiest dan voor het harmoniemodel. `Je moet ze niet voor het hoofd stoten, dat is niet handig', zegt ze dan. Zij is gewoon heel sterk een politicus. Grappig was dat Rogge tijdens het seminar in Rome zich vergiste en sprak over Irene Terpstra. Dat is dus de boodschap: als je er te lang inzit, word je vanzelf politiek.''

Vijf jaar van ,,duwen en trekken'' heeft Eijs' strijdvaardigheid aangetast. De felheid is afgenomen, erkent ze. ,,Ik sta op het punt dat ik me afvraag: waar doe ik het nog voor? In de atletencommissie merk ik soms dat ik aan het afstompen ben. In tegenstelling tot andere leden ben ik niet meer verontwaardigd als we bijvoorbeeld vier weken op antwoord van het NOC*NSF-bestuur moeten wachten. Ik ben dat inmiddels gewend. Maar het doet me deugd dat andere leden zich daar wel over opwinden; er is gelukkig nog sprake van verontwaardiging. Op die momenten merk ik dat een nieuwe generatie staat te trappelen.''

Een soortgelijke onmacht herkent Eijs ook bij de actuele dopingaffaires van voetballers Davids en De Boer. De kruistocht De Boer tegen de discutabele nandrolonwaarde juicht de voorzitter van de Nederlandse atletencommissie toe, zij het dat Eijs de verpakking van de boodschap ongelukkig gekozen vindt. ,,Frank de Boer manoeuvreert zich heel sterk in de rol van slachtoffer die ten onrechte bejegend wordt. Enige nuance is daarbij op zijn plaats. De spelregels moeten voor iedereen gelijk zijn. Van een voetballer die buitenspel loopt, wordt het doelpunt ook afgekeurd.''

Eijs voelt wel wat voor sanctionering buiten de sport, zoals dat in Italië en Frankrijk mogelijk is. Voor bonden is het tenslotte verleidelijk om te sjoemelen met de tuchtrechtspraak. ,,Er is alle gelegenheid om een dopingaffaire onder de pet te houden. Bonden zijn tenslotte belanghebbende, zeker als `het gezicht' van de sport positief wordt bevonden. Daarom denk ik dat het dopingvraagstuk om mondiale regelgeving vraagt. De overheden kunnen er al tegen optreden. Dan moeten die de handen maar ineenslaan.''

Van liberalisering is de afgestudeerd biologe geen voorstander. ,,Als je doping vrijgeeft, wint de beste dokter. Atleten zullen altijd blijven zoeken naar middelen om voordeel te vinden. Ik heb recent nog gehoord dat een sporter gemiddeld vijftien tot twintig voedingssupplementen inneemt. Dat is nogal wat. Doping in sport vergelijk ik altijd met Formule I-race. Ferrari is de snelste omdat de motor het best is geprepareerd. Maar ik voel me in en dergelijke wereld niet thuis. Het klinkt semantisch, maar misschien moeten we wel toe naar twee leagues: één met en één zonder doping.''

Net zo min als Eijs vanuit haar positie greep heeft op het dopingvraagstuk, was ze gedwongen tot passiviteit toen NOC*NSF de topsportgelden voor de Olympische Spelen in 2004 onder de bonden verdeelde. Uit oogpunt van `zuiverheid' moest de atletencommissie ook buiten die discussie blijven, meent Eijs. Maar bij het formuleren van de uitgangspunten, zoals die zijn vastgelegd in het Topsport Beleidsplan, had NOC*NSF beter naar de atletencommissie moeten luisteren. ,,Ik ben niet tevreden over onze inbreng in dat beleidsplan. De sporter wordt als `de belangrijkste' aangemerkt, maar dat is het dan; een nadere uitwerking blijft achterwege. Bovendien vinden wij het onjuist dat de mentale begeleiding van sporters niet in het plan is opgenomen. Wij vinden dat, in tegenstelling tot NOC*NSF, wèl een belangrijk punt.''

Tevreden is Eijs daarentegen wel over de bestuurders die leiding geven aan de olympische ploeg voor `Athene'. Vooral de keuze voor Peter Vogelzang als chef de mission juicht de oud-roeister toe. ,,Hij denkt sterk vanuit de sporter en luistert ook goed naar ze.'' Technisch directeur Joop Alberda is in haar ogen eveneens ,,een goede vent'', zij het dat hij een te groot onderscheid maakt. ,,Voor een atleet met de B-status is hij bikkelhard, terwijl het voor de A-sporters niet goed genoeg kan zijn. Ik vind Alberda een enthousiaste, inspirerende man, maar ook iemand die dingen roept die niet altijd kunnen worden waargemaakt.''