Krikken voor de vrede

NEW YORK/TEL AVIV. Mijn zus woont in een nederzetting, zo'n vijftien kilometer ten noorden van Ramallah. Ze heeft zeven kinderen. Ik twijfel er niet aan dat er nog minstens drie zullen volgen. Op 9 juni zou haar oudste zoon Bar Mitzwah worden en ik had beloofd de festiviteiten bij te wonen.

Maandag ging mijn vliegtuig. Op zaterdagavond had ik een afspraak met een jonge dame die in New York was, omdat ze zou gaan werken voor een mild feministisch tijdschrift.

Ik kleedde me netjes aan, overwoog zelfs een stropdas. Het eerste wat de jonge dame tegen me zei, was: ,,Er is iets naars gebeurd. Ze hebben mijn paspoort gestolen, mijn geld, mijn bankpasje.''

Ze zat achter een groot bord patat, want van de schrik was ze bijna flauwgevallen.

,,Waar is het gebeurd?'' vroeg ik.

,,In de Kinko's'', zei ze.

Even schoot het door me heen dat ze misschien zelf haar paspoort had weggegooid. Dat soort mensen bestaan.

Goed kende ik de vrouw zonder paspoort niet. Eigenlijk helemaal niet, ik had haar één keer ontmoet. Maar ze had me geschreven dat als ik zou vragen `wat gaan we nu doen?' zij me zou gaan zoenen.

Op de Westelijke Jordaanoever zou vast niet veel worden gezoend. Zeker niet voor het huwelijk. Ook niet na het huwelijk. Nooit.

Verder ben ik dol op codewoorden. Geef mij een codewoord en ik weet er tederheid uit te slepen.

Rond middernacht zei ik: ,,Wat gaan we nu doen?''

Tot mijn verbazing begon ze me te zoenen. Woorden die tot daden leiden zijn zeldzame woorden. Ik had het kunnen weten. Om kwart voor twaalf had ze gevraagd: ,,Zullen we kauwgum kopen?''

Kauwgum. Weer een codewoord.

De vrouw zonder paspoort logeerde in de kleinste hotelkamer die ik ooit had betreden. En ik heb er veel betreden. Ze begon te lachen. ,,Waarom lach je?'' vroeg ik.

,,Omdat je je kleren ophangt.''

,,Natuurlijk hang ik mijn kleren op, moet ik ze op de grond gooien? Is dat romantisch?''

Niet lang daarna vroeg ze: ,,Zie ik er nog toonbaar uit?''

Ze bestudeerde zichzelf in de spiegel, pakte haar reservepoederdoos, want de echte poederdoos was ook gestolen. Alles was gestolen, en haalde wat glimmende plekken weg.

De ochtend daarop nam ik haar mee naar een restaurant waar ik op zondagochtend vaak ontbijt. We zaten nog niet of een bejaarde vriendin kwam binnen. Ik stond verheugd op om de vrouw zonder paspoort aan de bejaarde voor te stellen, maar de bejaarde wendde zich vol walging af, zette haar zonnebril op en maakte even later een scène in het restaurant die ik hier wegens ruimtegebrek niet zal beschrijven. Laat ik volstaan met één citaat: ,,Jij smerige klootzak, hoe durf je een andere vrouw mee te nemen naar een restaurant waarvan je weet dat ik ook kom.''

Vanaf dat moment begon ik de greep op de gebeurtenissen te verliezen.

Die zondagavond zei de vrouw zonder paspoort: ,,Je mag wel mee naar boven om te zoenen, maar je kunt niet blijven slapen, want nog zo'n nacht in een te klein bedje trek ik niet.''

Toen ik om drie uur door de lobby van haar hotel sloop, riep de portier me na: ,,Zo, was de kamer niet groot genoeg?''

Ik besloot toen dat ik haar wel leuk vond, maar dat ik niet verliefd was. Een vrouw die me als hoer behandelt, daarop word ik niet verliefd.

Niettemin stelde ik mijn vlucht een dag uit. Ik had een paar deadlines niet gehaald.

We verhuisden naar het huis van een vriend, die maandagavond. Hij had, in een daad van ongekende vriendschap, zijn bed versierd met rozenbladeren. Wij vergaten alleen de rozenbladeren van het bed te vegen, zodat de volgende ochtend zijn peperdure lakens met rode strepen waren bedekt en merkwaardig genoeg ook de sofa en het behang.

,,Weer een huis van een vriend vernield'', zei ik, ,,dit gaat goed zo.''

De bejaarde vriendin liet me weten dat ze nog nooit iemand had ontmoet die er zo doorsnee uitzag als de vrouw zonder paspoort. En mijn zus vroeg: ,,Kom je nog, of laat je me weer in de steek?''

Het waren vrolijke tijden. En het werd woensdag. De dag waarop ik echt naar Tel Aviv moest vertrekken.

De vrouw die er volgens sommigen zo doorsnee uitzag, had inmiddels een blauw vodje van het Nederlandse consulaat gekregen dat recht gaf op een enkele reis Nederland.

We zaten in een Franse bistro om afscheid te nemen. Mijn vriend wiens huis we hadden vernield kwam even langs.

,,Ik geloof dat ik een heel klein beetje verliefd ben geworden'', fluisterde ik in zijn oor.

,,Dan moet ze mee naar Israël'', zei hij. ,,Amerika komen jullie toch wel uit. Het ergste wat je kan gebeuren is dat de lsraëlische douane haar terugstuurt.''

Drie kwartier later zaten we in een auto op weg naar het vliegveld.

,,Wat vindt je moeder er eigenlijk van dat ik kom opdagen?''

,,Jij bent een verrassing'', zei ik.

,,Goed'', zei een mevrouw van Delta Airlines, ,,jij had een ticket voor maandag en je vertrekt nu, en deze mevrouw heeft nog geen ticket en het vliegtuig gaat over een half uur.''

Ze schudde haar hoofd.

,,We staan hier al een uur in de rij'', zei ik, ,,bovendien is het daar oorlog. Ze hebben ons nodig.''

,,Ja'', zei de vrouw zonder paspoort, ,,we gaan krikken voor de vrede.''

Haar directheid was me al eerder opgevallen.

,,Je bedoelt wat Lennon en Yoko in Amsterdam deden, wil jij in Tel Aviv gaan doen?''

De vrouw van Delta onderbrak ons.

,,Snel'', zei ze, ,,ga op dat karretje zitten.''

We namen plaats op zo'n karretje waar normaal gesproken invaliden mee worden vervoerd. Paspoort en ticket waaiden nog uit mijn hand. Ik begon me steeds meer Monsieur Hulot te voelen.

,,Niemand heeft echt naar je paspoort gekeken'', zei ik.

,,Mijn vader wordt zo boos als hij weet dat ik naar Israël ga. Ook op jou. Hij is de laatste tijd erg voor de Palestijnen.''

,,We gaan toch krikken voor de vrede.''

,,Hij kan erg standvastig zijn, hij zegt dat hij de magnetron heeft uitgevonden.''

,,Maar ik heb de humor uitgevonden.''

Het vliegtuig was halfleeg, en we hadden nog drie uur vertraging.

Tel Aviv en ons hotel waren helemaal leeg. Daarom kregen we gratis een grotere kamer.

We logeerden op vijf minuten loopafstand van de discotheek waar een kleine week eerder twintig mensen waren opgeblazen. De grafkrans van Joschka Fischer lag er nog.

Die avond belde ik mijn moeder.

,,Ik ben in Tel Aviv'', zei ik. ,,Ik heb een vrouw meegenomen.''

,,Dat moet je maar aan je zus vertellen.''

,,Doe jij het maar.''

,,Ken ik haar?''

,,Niet echt.''

,,Hoe lang ken jij haar al?''

,,Een dag of vier.''

We gingen op die paar terrassen zitten waar tenminste nog een paar mensen zaten. We liepen over het strand, waar we drie dode katten tegenkwamen. We deden echt ons best opgeblazen te worden. Ik had haar tenslotte beloofd dat ik haar zou verlossen van de toekomst.

Aan een serveerster vroegen we: ,,Weet je waar ze nu nog medicijnen verkopen?'' Midden in de oorlog vraag je niet: ,,Waar verkopen ze nu nog condooms?'' Mijn moeder belde me de volgende ochtend wakker.

,,De hel is hier losgebroken'', zei ze. ,,De man van je zus wil geen niet-joden in zijn huis en al helemaal wil hij niet dat jij met een niet-jood in één bed gaat slapen. Hoe heet ze eigenlijk? Aap? Zei je dat?''

,,Ja'', zei ik, ,,ze heet Aap.''

,,Stamt ze misschien van Spaanse joden af?''

,,Niet dat ik weet.''

,,Vroeger werden joden zoals jij gestenigd'', zei mijn moeder. ,,Maar dat is natuurlijk nog geen reden om die sjikse van jou het huis niet in te laten. Desnoods mag ze wel naast me op de grond liggen.''

,,Wat zegt ze?'' wilde Aap weten.

,,Dat joden zoals ik vroeger werden gestenigd.''

(wordt vervolgd)