Jubileum

Mijn vader was 72 jaar oud toen hij, in 1956, zijn veertigjarig toneeljubileum vierde. Eigenlijk had hij er nog vijftien jaar bij moeten tellen, aangezien hij al op jeugdige leeftijd zijn vader assisteerde, die zich, behalve als schoenmaker, een zekere faam had verworven in de hoedanigheid van komiek op bruiloften en partijen in Rotterdam en omstreken. Toch had hij zijn zoon, tegen diens wil, gedwongen voor een degelijk beroep te kiezen en bij een gerenommeerde herenkapper in de leer te gaan. Daar deed de zoon die mijn vader zou worden zoveel ervaring op dat hij, voor zijn trouwen, met geleend geld een kapperszaak aan de Schiekade kon overnemen, waar de jonggehuwden de woning erboven betrokken, met een uithangbord `Coiffeur' tegen de gevel.

Dit weerhield mijn vader er echter niet van, ondanks zijn nieuwe bestaan van echtgenoot en zelfstandige ondernemer, zijn geluk ook elders te beproeven. Deels met het oog op enige bijverdienste en deels uit liefhebberij – hij had een goede stem en speelde citer – waagde hij zich op de schamele planken van kleine cafés-chantants en andere onaanzienlijke lokalen van vermaak. Hij deed het met zoveel overgave dat hij, aangemoedigd door de bijval die hij oogstte, voorgoed besloot zijn roeping te volgen, wat mijn moeder de sombere voorspelling moet hebben ontlokt dat ze hun armoe tegemoetgingen.

De goed beklante kapperszaak aan de Schiekade werd verkocht en toen ik enkele maanden oud was, verhuisden we naar de inderdaad armoedige Schoterbosstraat, waar mijn vaders wisselvallige artiestenloopbaan een aanvang nam. Behalve op de liedjes met begeleiding van zijn citer begon hij zich tevens toe te leggen op humoristische voordrachten, bijvoorbeeld `Na 't soupertje', een veelgevraagd nummer waarin hij in avondkleding met hoge hoed en loshangende jas over zijn schouders een bon-vivant voorstelde die 's nachts na een vriendenmaaltijd aangeschoten thuiskomt.

Mede dankzij de attractieve verschijning van mijn moeder, die toevallig eveneens over een welluidende stem beschikte, kwam hij op het idee van een zangduo, waardoor ze gaandeweg in betere variététheaters kwamen te staan, zoals Casino aan de Coolsingel en Pschorr in de Korte Hoogstraat. Aan dit nummer kwam een einde toen mijn moeders verschijning haar charme verloor en mijn vader iemand vond die gitaar speelde, wat een geslaagde combinatie met de citer bleek te zijn, en die de tekst en muziek van de liedjes verzorgde waarmee zij als De Snarenzangers in hun zwartfluwelen jasjes een populair tweetal werden. Uit het hele land kregen ze aanbiedingen van veelal `linkse' verenigingen en vakbonden wanneer die iets te vieren hadden, en ook traden ze als variéténummer op in bioscopen, tussen de voor- en de hoofdfilm.

Later, gedurende de crisisjaren, verdween zowel het variété uit de theaters als de lust in festiviteiten bij de landelijke instellingen, en toen in het tweede jaar van de oorlog mijn vader en zijn collega weigerden lid van de Kultuurkamer te worden, waren ze genoodzaakt zich via onderlinge relaties en aanbevelingen tot de koperen, zilveren en gouden echtparen te wenden, in wier huiskamers zij tussen de schuifdeuren de bruiloft plachten op te luisteren.

Toen de oorlog voorbij was, hervatten De Snarenzangers hun oude nummers, tot de maker ervan – ze hadden vijfendertig jaar samengewerkt – overleed. Omdat mijn vader het niet kon laten, kwam hij bij het Rotterdams Volkstoneel terecht en vervolgens bij het Rotterdams Toneel, dat onder leiding van Ton Lutz, zijn achterneef, de schouwburg aan het Schouwburgplein bespeelde. Hij kreeg er bescheiden figuratierolletjes, tot zijn gehoor zo sterk achteruitging dat hij zijn wachtwoord niet meer verstond en zowel letterlijk als figuurlijk van het toneel verdween.

Ter voorbereiding van het jubileum had zich een erecomité gevormd, waarin een paar bekende Rotterdammers en de zoon van een sinds lang gestorven theaterdirecteur zitting hadden genomen, met nog enige oude collega's en het bestuur van de dilettantentoneelvereniging Mutua Amicitia, waarvan mijn ouders in hun verlovingstijd lid waren geweest. Aan de vooravond van de feestelijke gebeurtenis, die in de gratis ter beschikking gestelde zaal van Odeon in de Gouvernestraat zou plaatsvinden, bleek niet alleen het aantal verkochte kaarten ver beneden de verwachting te zijn, maar liet ook Dick Willebrandts, die als oude vriend zijn medewerking met zijn succesrijke dansorkest had toegezegd, weten dat hij helaas door een plotseling engagement elders verhinderd was te komen. In paniek werd er naar een plaatsvervanger gezocht, die op het laatste moment werd gevonden in de persoon van de pianiste van een damesorkest, die zich, ofschoon zonder haar kunstzusters, bereid had verklaard in te vallen. Zij deed dit door de voorstelling te openen met een blijmoedige mars, die enigszins verloren uit de orkestbak opsteeg en zich over de hoofden van de hier en daar aanwezigen verspreidde, waarna deze ijlings naar de voorste rijen werden verhuisd.

Het twee uur durende programma voor de pauze bestond uit het belangeloos optreden van mensen uit het amusementsbedrijf, onder wie Alex de Haas, Albert de Booy, Daan Hooykaas, de sneltekenaar Rodi Roeters, de goochelaar George van Berkel en de harmonicaspelers De Pico's. Tegen het einde van de pauze, waarin wij ons volgens afspraak als naaste familie `naar achter' hadden begeven ter bijwoning van de huldiging, kwamen mijn moeder en ik met mijn toenmalige echtgenoot in het midden van het toneel te zitten, naast de weduwe van de gitaarspeler met dochter en schoonzoon .

Terwijl het doek opging, vermeed ik het zijn kant uit te kijken toen mijn vader, bruin geschminkt en in zijn zwartfluwelen jasje, uit de coulissen kwam en, wat ik hem honderden keren had zien doen, snel en zelfverzekerd tot vlak voor het voetlicht liep, waar hij met een aanstekelijk plezier voor de vuist weg zijn prevelement hield, zoals hij het placht te noemen. Daarop werd hij door de leden van het comité toegesproken, die met de gebruikelijke anekdotes zijn levensloop memoreerden en hem een bloemstuk en fruitmand, vergezeld van een envelop, aanboden. Tijdens zijn dankwoord, waarin hij iedereen betrok die aan het welslagen van de avond had meegewerkt en met even haperende stem zijn collega herdacht, bad ik, in het donkere gat van de zaal starend, dat het gauw voorbij mocht zijn.

Tenslotte zakte het doek voorgoed, nadat het driemaal onder een welgemeend applaus was opgehaald, en verlieten wij met de fruitmand en het bloemstuk het toneel, waar ik de inspeciënt de stoelen achter ons haastig op elkaar hoorde stapelen.