In Kabylië druipt de haat van de muren

Uit Algerije worden dag in dag uit rellen gemeld. De onlusten tegen de regering van president Bouteflika, gevoed door algemene economische en sociale onvrede, begonnen in Kabylië waar de Berbers zich dubbel gepakt voelen.

Pouvoir Assassins, de machthebbers zijn moordenaars. Op zowat iedere beschikbare muur in Kabylië staan dergelijke beschuldigingen aan het adres van de Algerijnse regering en president Bouteflika te lezen.

Kabylië, woongebied van de Berbers, gist. Net als in de rest van Algerije groeit er het verzet tegen het gebrek aan democratie en rechtvaardigheid, de economische malaise en de corruptie. Maar miljoenen Berbers zijn extra geprikkeld. Zij voelen zich tweederangsburgers in het overwegend Arabische Algerije, en eisen erkenning van hun identiteit, in concreto hun taal. Het is geen wonder dat de huidige onrust in Algerije in Kabylië begon.

De eerste onlusten in Kabylië dateren van 20 april, toen in Beni Douala, 20 km van de hoofdstad Tizi Ouzou, de 19-jarige scholier Massinissa Guermah in een politiecel stierf. De regering stuurde oproerpolitie, wat het geweld alleen aanwakkerde.

,,Het begon allemaal met de moord op mijn zoon. Massinissa was een rustige jongen, een scholier die zich niet met politiek inliet. Die dag zijn gendarmes hier in onze straat verschenen. Ze hebben hem geslagen en geschopt en in hun wagen gesleurd. In de kazerne is hij vervolgens doodgeschoten.'' De vader van Massinissa vindt geen enkele verklaring voor de gewelddadige dood van zijn zoon. ,,Hij was een voorbeeldig scholier. Op school kon niemand het geloven. Maar volgens de gendarmes was hij een dief, en de minister van Binnenlandse Zaken verklaarde dat hij 26 jaar oud was en een delinquent. Ze maken de mensen al jaren van alles wijs. Dat ze zo liegen heeft nog meer kwaad bloed gezet. Ik heb zijn vriendjes gesmeekt vooral niet op straat te komen, maar zijn begrafenis is op een betoging uitgedraaid.''

Op 26 april ging de vlam in de pan in het dorp Larbaa Nath Irathen. De 16-jarige Mouloud kreeg bij een demonstratie drie politiekogels in zijn buik. Hij had geluk, hij overleefde het. Maar twee dagen later doodde de gendarmerie zeven betogers toen een woedende menigte in het centrum van Larbaa protesteerde tegen het politiegeweld.

Waar de doden vielen, de eerste van tientallen, zijn door de bevolking van Larbaa gedenkstenen opgericht. Er liggen bloemen en er branden kaarsen. De meeste doden vielen vlakbij de kazernepoort. ,,Ze hebben bijna allemaal kogels in de rug gekregen, ze zijn neergeschoten toen ze probeerden weg te komen. Het was een vreedzame protestbetoging. Maar die misdadigers daar in de gendarmeriekazerne hebben deze jongens zonder meer met scherp onder vuur genomen, met de bedoeling ze te doden'', vertelt de voorzitter van de dorpsraad die inmiddels in Larbaa is opgericht. ,,Nu durven de gendarmes niet meer uit hun kazernes te komen. Als ze zich op straat laten zien, worden ze gelyncht. Hier in Larbaa hebben wij het alleen op de gendarmes zelf gemunt, wij vallen het bloedige repressieapparaat aan. Wij zijn niet tegen de staat gekant, maar tegen de oproerpolitie en de gendarmes die met scherp op ons schieten.'' De metalen kazernepoort en de muren met prikkeldraad erbovenop zijn zwartgeblakerd. De kazerne is door betogers met molotovcocktails bestookt – zoals overal in de dorpen en steden van Kabylië. De haat staat op de muren geschilderd: Moordenaars!

In antwoord op de recente gebeurtenissen heeft de bevolking van Kabylië de traditionele maar de laatste jaren wat verwaterde tribale organisatiestructuur, de Aarch, nieuw leven ingeblazen. De Aarch is een federatie van raden die rechtstreeks door de dorpelingen worden samengesteld. De Aarch van Larbaa vergadert gewoon in het gemeentehuis hoewel hij niets met de overheid te maken heeft. Evenmin zijn er trouwens directe banden met de politieke partijen. Deze spontane organisatie lijkt over heel Kabylië een groot succes. In zo'n mate zelfs dat zowel de regering als de politieke partijen er flink van geschrokken zijn. De regering en de oppositiepartijen beschuldigen elkaar ervan via de federatie van de Aarchs de Berberbeweging voor hun kar te willen spannen.

Op de agenda van de Aarch in Larbaa stond vorige week maar één punt: de organisatie van een vreedzame nationale betoging in Algiers, een reusachtige mars. Maar na de onlusten in Kabylië was het voorspelbaar dat het ook in de hoofdstad tot gewelddadige botsingen zou komen. Een week eerder was een eerste betoging in Algiers al door duizenden gendarmes met geweld uiteen gedreven.

De nieuwe betoging in Algiers had van meet af aan een dreigend karakter. Deze keer waren veel betogers voorbereid op een treffen met de gendarmerie: ze waren gewapend met stokken, messen en bijlen, met ontbloot bovenlijf en beschilderde gezichten, net als indianen op het oorlogspad. `U kunt ons niet doodschieten want wij zijn allang dood', stond te lezen op één van de vele zwarte spandoeken waarmee honderdduizenden Berbers uit Kabylië door de straten van Algiers trokken, op naar het centrum van de macht. Deze rouwbrief voor de tientallen eerder doodgeschoten betogers bevatte een overduidelijke boodschap aan het adres van de gehate gendarmes en de oproerpolitie, en de machthebbers.

De betogers probeerden zich een weg te banen naar El-Mouradia, het paleis van president Bouteflika. In het centrum van Algiers kwam het tot gevechten tussen met stenen gooiende betogers en de ordediensten. De oproerpolitie gebruikte traangas en waterkanonnen. In de stad werden winkels geplunderd, tientallen autobussen gingen in vlammen op, en ook tal van overheidsgebouwen en bedrijven werden door de betogers in brand gestoken. Er werd overal flink wat schade aangericht. Verkeersborden, straatverlichting en jonge boompjes gingen eraan. Het kwam ook tot een treffen tussen met stokken en bijlen gewapende betogers die in het wild vernielingen aanrichtten en de lokale bevolking die daar duidelijk niet van gediend was.

Maar de leus van de dag, `De machthebbers zijn moordenaars', werd niet alleen door de honderdduizenden betogers uit de Kabylische provincies geroepen. Veel inwoners van Algiers waren solidair met de protesterende Berbers. Vanuit appartementen gooiden zij de voorbijtrekkende betogers flessen water toe, terwijl de gendarmes vanaf dezelfde balkons met bloempotten en andere projectielen werden bekogeld.

,,Waarom wil de president niet met een delegatie van de betogers praten? Ze hebben alleen maar misprijzen voor de jongeren. Het is de hogra (het misprijzen) van de regering die voor al dat geweld zorgt'', riep een moeder die met haar dochters voor haar deur had post gevat.

Het was een van de grootste betogingen uit de recente Algerijnse geschiedenis was. Maar veel Algerijnen verwachten dat het alleen nog maar het begin was van een lange hete zomer. ,,De situatie wordt met de dag erger, het is compleet uitzichtloos'', zegt Hussein (52), vader van zeven kinderen. ,,De mensen zijn het spuugzat. Ze willen dringend echte veranderingen zien. Dit was bedoeld als een vreedzaam protest, maar hier is duidelijk gebleken dat de mensen niet langer bereid zijn om zich nog langer te laten afschepen. En al die repressie zet nog meer kwaad bloed. Voor de jonge Algerijnen is de tijd van de afrekening aangebroken. Als ze dat nu in het presidentiële paleis nog niet hebben begrepen, zal er in de komende tijd nog meer bloed vloeien in de straten van Algiers.''