Het wegen van de ziel

De ziel bestaat. En hij heeft nog een bepaald gewicht ook. Dat werd mij voorgehouden, in alle ernst, en nog niet eens zo lang geleden: middelbare school, midden jaren zeventig, door een godsdienstleraar die geloof en wetenschap graag met elkaar wilde verbinden. Hij vertelde over onderzoek dat was verricht bij stervenden. Er was van alles gemeten. Bij het systematisch aflezen van de weegschaalmetertjes was de geleerden gebleken dat overleden mensen, onmiddellijk na het uitblazen van de laatste adem, nog iets anders kwijtraakten. Maar wat? Veel woog het niet, en je had er precieze apparatuur voor nodig – maar het was duidelijk dat er op dat moment iets verdween. Na het afstrepen van allerlei medische mogelijkheden bleef er maar één plausibele verklaring over: dit moest wel de ziel zijn. Die verliet immers zoals bekend onmiddellijk na het intreden van de dood het lichaam om ergens naar boven te fladderen. De metertjes hadden hem voorbij zien komen. De leraar haalde voor de vorm nog wel zijn schouders op, om aan te geven dat hij het ook niet helemaal zeker wist, maar de licht triomfantelijke blik in zijn ogen verried dat hij het maar wat graag wilde geloven: het bestaan van de ziel nu eindelijk wetenschappelijk bewezen, en ook maar meteen gevangen in grammen en kubieke milliliters. Ik geloof niet dat ik het toen geloofde, en ik heb er daarna ook nooit meer iets over gelezen in de vakbladen, maar ik heb het geval wel altijd onthouden: omdat het natuurlijk wel iets had, zo'n poging om iets onmeetbaars toch te willen meten. Als hier al iets bewezen werd, dan niet zozeer het bestaan van de ziel, als wel de kracht van de wens om er in te geloven.

Tegenover dit sentiment staat de al even onbewijsbare veronderstelling dat er na het uitblazen van de laatste adem helemaal niets van ons overblijft. Michaël Zeeman laat in zijn gedicht `Beeldenstorm' (1991) weinig heel van het geloof van allerlei betekenistoekenners, zinzoekers en zielsdeskundigen. Dit is het slot ervan: `Zoals een duif wordt doodgereden/ in het stadsverkeer, binnen een dag/ van vogel vlek wordt, een schaduw/ onherleidbaar in het natte asfalt.' Zo, zoals met die duif, loopt het met alles en iedereen af, lijkt hij te willen zeggen. Het zijn regels die weinig te raden overlaten, maar toch zou je er, met dezelfde omzichtigheid als waarmee zielen worden gewogen, ook nog wel iets anders in kunnen lezen. Ook van deze domweg doodgereden stadsduif blijft aan het eind van het vers wel degelijk iets over. Hij mag dan vervluchtigen van vogel naar vlek naar onherleidbare schaduw in nat asfalt, maar hij blijft toch nog altijd een schaduw.

Tot dit soort subtiel geschommel tussen iets en niets voelen veel dichters zich aangetrokken. Misschien wel omdat woorden, van lucht gemaakt, bij uitstek het middel zijn om iets op te roepen dat met het uitspreken ervan ook meteen weer in lucht opgaat. Het schrijven is dan de neerslag van deze lucht, de afdruk van het spreken, de schaduw van een kortstondige aanwezigheid. In de opgraafkunde kent men het mooie begrip van de lijkschaduw, of ook wel het lijksilhouet: een verkleuring in het zand die aangeeft waar een dode heeft gelegen, ten gevolge van `de scheikundige werking van het stoffelijk omhulsel op de maagdelijke grond', zoals Henk Kok zegt in zijn Funerair Lexicon. Geen botten, geen resten van kledingstukken, geen offergaven – louter afdruk. Lijkschaduwen zijn en worden wel aangetroffen in graven van duizenden jaren oud – dat geeft ze al iets mysterieus. En vaak hebben ze iets ontroerends, net als mummies of veenlijken. De foto in het Funerair Lexicon van een in Elp (Dr.) gevonden lijksilhouet, laat de duidelijke afdruk zien van iemand die op zijn linkerzij lag, met opgetrokken knieën en de hand aan of bij de kin, alsof hij een boek ophield en lekker lag te lezen. Alles is nu weg, inclusief het skelet en eventuele lectuur, maar toch lijkt het alsof er net nog iemand was, zoals ook een leeg, maar vers beslapen bed juist een sterke indruk van aanwezigheid kan geven. Het is bijna niets: een verkleuring, een contour, een neerslag. Maar het is tegelijk de herinnering aan iets wezenlijks: een lijk, een lichaam, een leven. Daarin lijkt de lijkschaduw voor mijn gevoel op wat veel poëzie poogt te doen: het vangen van een sliert vergankelijkheid, het betrappen van een vluchtig spoor Q even miraculeus als het meten en wegen van een ziel.

Dit is het gedicht `Weggaan' van Anton Korteweg, uit zijn bundel Voor de goede orde (1988):

Als een auto die lang in de regen

gestaan heeft

optrekt en wegrijdt, blijft waar hij stond achter

een plek die zich van de rest van de straat

onderscheidt, even nog, tot hij ook nat is

en niet afzonderlijk meer bestaat.

Dat is wat blijft als je weggaat.

Het tafereel is alledaags, maar altijd weer mooi om naar te kijken: hoe een droge plek op straat geleidelijk gevuld wordt met regendruppels en op een gegeven moment niet meer van de rest te onderscheiden is. Het verrassende zit in de slotregel. Daarin lijkt op het eerste gezicht alleen maar gratuit gespeeld te worden met de tegenstelling tussen blijven en weggaan. Maar wie wordt er in die regel eigenlijk aangesproken? Een `jij' die daadwerkelijk weggaat? `Men' in het algemeen? Of spreekt de dichter hier tot zichzelf? En betekent weggaan hier met de auto de straat uit rijden, voor langere tijd afscheid nemen of sterven? En wat blijft er dan eigenlijk? De herinnering aan een droge plek, of helemaal niets? Het gedicht van Korteweg zou het kwade einde van een liefdesgeschiedenis kunnen bezingen. Dan richt de dichter zich aan het slot tot zijn ex-geliefde: denk maar niet dat je vertrek lang betreurd zal worden, voordat jij de hoek van de straat om bent is de herinnering al weggespoeld. Maar het kan ook algemener, en nihilistischer: als een mens sterft is er binnen de kortste keren niets meer van hem over, en niemand ziet nog dat hij er ooit geweest is. Maar waarom dan nog gedichten schrijven?

Ik kan het niet bewijzen, of meten, maar ik vermoed dat Korteweg hier, op de wijze van Zeeman en van de zielenwegers, nog een laatste subtiele slag om de arm heeft willen houden. Als je weggaat mag de plek die je innam dan niet meer afzonderlijk bestaan, voor wie er weet van heeft blijft het toch een bijzondere plek, met een naam en een verleden. Het is het sentiment dat vermoedelijk wordt ingegeven door de onwil, of de onmogelijkheid, om te leven met de gedachte dat er na de dood niets van ons zal overblijven. `Non omnis moriar' schreef Horatius, niet geheel zal ik sterven. Vandaar het verlangen naar een schaduw, een herinnering, een ziel – en vandaar het subtiele verschil tussen anonieme natte en bezielde natte plekken in de straat. Het verschil tussen nat en ex-droog.