Gekuip en gekonkel

Begin jaren negentig gingen in Moskou de archieven open. De historicus Gerrit Voerman at zich een weg door stapels papier, voor een geschiedenis van de CPN in de jaren twintig. De banden met het Kremlin bleken nog inniger dan gedacht.

Niet alles gebeurt in Nederland vijftig jaar later. In november 1918 werd in Leiden de Communistische Partij in Nederland (CPN) opgericht, de eerste in West-Europa. De Russische en de Bulgaarse waren haar voorgegaan, maar de Duitse KPD en de Franse PCF moesten nog volgen. Een `echte' nieuwe partij was de CPN echter niet. Ze kroop uit de cocon die de Sociaal Democratische Partij (SDP) gesponnen had. Die (mini)partij was in 1909 op haar beurt losgebroken uit de uit 1894 stammende Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP), de `moeder' van de Partij van de Arbeid.

Numeriek stelde de CPN in 1918 weinig voor: zo'n duizend leden. Maar er leek voor haar een schone toekomst weggelegd. Kunstenaars en intellectuelen, Herman Gorter voorop, sloten zich bij haar aan. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren innige banden aangeknoopt met het Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS), een federatie van radicale vakbonden die in 1918 zo'n twintigduizend leden telde. In Rusland hadden Lenin en de zijnen in oktober 1917 het kapitalisme een grote slag toegebracht. De weg naar de communistische heilstaat lag open. Geen wonder dat de CPN zich in 1919 enthousiast aansloot bij de Communistische Internationale, de Komintern.

Anno 2001 weten we dat de weg die de CPN in 1918 opging vooral geplaveid was met bloed, zweet en tranen, zonder dat het beoogde doel een millimeter dichterbij kwam. De CPN overleefde de onttakeling van het reëel bestaande socialisme in 1989 tenslotte niet. Haar `erfvijand', de PvdA, leeft vrolijk voort – al bespeuren sommigen ouderdomsverschijnselen.

Toch blijft het communisme menigeen boeien. Historicus Gerrit Voerman (1957), geboren en getogen in het gereformeerde Kampen, zag de CPN bij leven als een `exotisch verschijnsel', schrijft hij op de eerste bladzijde van zijn proefschrift, De meridiaan van Moskou. Hij vond de partij interessant, maar aandrang om lid te worden had hij niet. Anderzijds ging hij ook niet in op een later verzoek van de BVD om als spion te infiltreren. Van een `reële bedreiging van de staatsveiligheid', schrijft hij, was begin jaren tachtig geen sprake meer. Als die er ooit al geweest was.

Voerman bleef als buitenstaander om de CPN cirkelen. Als geschiedenisstudent in Groningen, later als medewerker c.q. hoofd van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen. Verschillende doorwrochte artikelen en een uitputtende bibliografie waren er het resultaat van. Zijn proefschrift, dat zich concentreert op de eerste tien jaar van de CPN, met name de geleidelijke onderschikking aan de Komintern, zet er de kroon op.

Slecht mens

Vanwaar deze niet aflatende fascinatie? `Het communistische project was gebaseerd op de gedachte dat de mens van nature goed was', schrijft Voerman. `Dit communistische axioma stond op gespannen voet met het calvinistische adagium waarmee ik was opgegroeid, namelijk dat de mens geneigd is tot alle kwaad. Het drie kwart eeuw durende Sovjet-experiment [...] biedt de mogelijkheid beide uitganspunten te toetsen.' Hij wil de conclusie alvast prijsgegeven: `Ik vrees dat Calvijn meer recht van spreken heeft dan Marx.' Impliciet wil De meridiaan van Moskou dan ook meer zijn dan voer voor CPN-necrofielen. Ze wil iedereen, (ex-)communist, (ex-)calvinist, (ex-)niks, een spiegel voorhouden.

Of veel lezers Voermans boek werkelijk als een catharsis zullen ervaren, is hoogst twijfelachtig. Vijfhonderd pagina's met minutieus in kaart gebrachte discussies, meningsverschillen en papieren oorlogen, opgedist in een verhaal dat zich voortsleept van het ene congres naar het andere, met als aanhangsel honderd pagina's noten en vijftig pagina's `apparaat': het vergt wel erg veel van het uithoudingsvermogen. De communistische bovenbaasjes die al dit gedoe op de vierkante millimeter op hun geweten hebben, komen bovendien niet echt tot leven. Naar de diepere drijfveren achter hun jarenlang geconspireer, gekuip en gekonkel blijft het gissen.

Voor een echte inkijkoperatie in de ziel van de communistische mens lijken biografen als Jan Willem Stutje (over Paul de Groot) en Elsbeth Etty (over Henriette Roland Holst), beter toegerust dan Voerman. Stutje en Etty mogen in hun scheppingsdrift zo nu en dan een steekje laten vallen – dat Voerman geduldig opraapt – de grootheden en de kleinheden van hun protagonisten komen tenminste goed uit de verf.

Voerman kon putten uit omvangrijk archiefmateriaal. In 1991 werd in Moskou het lijk van de communistische wereldbeweging aan de wetenschap ter beschikking gesteld in de vorm van 55 miljoen pagina's Komintern-archief. Voerman was een van de historici die zich onmiddellijk naar de Russische hoofdstad spoedden. Vier maal betrad hij tussen 1993 en 2000 het voormalige Instituut voor Marxisme-Leninisme, ooit het heiligste der communistische heiligheden. De net geopende deur bleek bij elk volgend bezoek een stukje dichter te zijn gegaan. Maar Voerman wist genoeg materiaal bijeen te sprokkelen om oude vermoedens te kunnen bevestigen en bestaande analyses te kunnen corrigeren. Hij weet als allereerste de vergaande `domesticering' van de CPN door de Komintern, zoals die in de loop van de jaren twintig op politiek, organisatorisch en financieel terrein zijn beslag kreeg, met talloze bewijsstukken in kaart te brengen.

Zo ging er al jaren het gerucht dat de CPN flinke financiële steun kreeg van haar Russische kameraden als aanvulling op de povere eigen inkomsten. In de eerste jaren zou het daarbij vooral zijn gegaan om geconfisqueerde sieraden van de tsarenfamilie. Het Algemeen Handelsblad van 15 februari 1920 wist al te melden dat er recent een diamanten kruis, een parelsnoer, een grote en een kleine diamant over de grens waren gesmokkeld.

Sovjet-subsidie

Hoeveel Dichtung en hoeveel Wahrheit dit laatste bericht bevatte, kon Voerman in Moskou niet achterhalen. Het archief van de Budgetcommissie van de Komintern bleef voor hem gesloten. Op basis van anderszins vergaarde gegevens weet hij echter aannemelijk te maken dat er regelmatig grote bedragen naar Amsterdam werden gesluisd; vanaf 1921 in de vorm van een jaarlijkse subsidie, uit te betalen in vier termijnen. Naar zijn schatting ontving de CPN tussen 1918 en 1930 minstens 160.000 gulden; wat anno 2001 zou neerkomen op een kleine 10.000 gulden per maand.

Het meeste materiaal dat Voerman in Moskou aantrof, heeft betrekking op de jaren twintig. Het was een van de redenen om zijn onderzoek op die periode toe te spitsen. Daarnaast speelden inhoudelijke overwegingen een rol: tussen 1919 en 1930 devalueerde de CPN van een eigenzinnige, veelkleurige betweter ter linkerzijde van de SDAP, met wortels in de romantische arbeidersbeweging van de negentiende eeuw, tot een onderdanige, straf georganiseerde jaknikker in het koor van de Komintern. `Nadat de partij in 1930 geheel in het gelid was gebracht', schrijft Voerman, `bleef de politieke en ideologische hegemonie van Moskou meer dan drie decennia vrijwel onomstreden.'

Eerdere onderzoekers van de CPN gingen het liefst met een grote boog om de jaren twintig heen. Zo niet Gerrit Voerman. Alle spelers in het linkse stratego krijgen de rol die hun toekomt: de CPN, de CPSU (Communistische Partij van de Sovjet-Unie), het NAS, het NVV, de SDAP, de Komintern, de Rode Vakbewegings Internationale, het Internationaal Verbond van Vakverenigingen. Leiders, opposanten en dissidenten van de CPN trekken in een lange rij over de pagina's. Voorop de dichters Herman Gorter en Henriette Roland Holst en sterrenkundige Anton Pannekoek, die op voet van gelijkheid discussieerden met Lenin, Kautsky en Trotski. Daarachter het driemanschap David Wijnkoop, Willem van Ravesteyn en Jan Ceton. In 1909 leidden ze gedrieën de SDP weg uit de SDAP; in 1918 gingen ze de SDP voor in de transformatie tot CPN, waarin ze tot 1925 een bijna regentesk gezag uitoefenden.

Onder de vele dissidenten die stormliepen tegen de arrogante almacht van het leidende trio, bevonden zich spoorwegman Henk Sneevliet, PTT-ambtenaar Jacques de Kadt, havenarbeider Bertus Bouwman en diamantbewerker Paul de Groot. En dan zijn er nog de dinosaurussen van de Russische revolutie die na de dood van Lenin door Stalin meedogenloos tegen elkaar uitgespeeld werden: Trotski, Zinovjev, Boecharin. Een niet onbelangrijke bijrol was weggelegd voor Eduard Fimmen, de voorzitter van de machtige NVV-transportarbeidersbond die – anders dan zijn collega's – samenwerking met de communisten niet bij voorbaat uitsloot.

Hoofd in strop

Wie het op kan brengen de kluwen te ontwarren die al deze organisaties en personen in elkaar draaiden, zal ontdekken dat de Komintern dit machiavellistische machtsspel het beste speelde. Het rechtvaardigt Voermans stelling dat het driemanschap in 1919 met zijn toetreding tot de Komintern zijn hoofd in een strop stak. Zeven jaar later zou hun de macht over hun eigen, kleine koninkrijkje ontglippen.

Aanvankelijk leek het niet zo'n vaart te lopen. De jonge Sovjet-Unie had het te druk met binnenlandse dwarsliggers en buitenlandse vijanden om zich druk te maken over de kleine, dappere CPN. Halverwege de jaren twintig veranderde dat. Stalin had de binnenlandse machtsstrijd in zijn voordeel beslist; mede daardoor werd de wereldrevolutie tot nader order uitgesteld. Alle communistische partijen, waar ook ter wereld, dienden hun nationale politiek voortaan volledig af te stemmen op de verdediging van het socialistische vaderland. Samenwerking met de machtige sociaal-democratische vakbonden werd het hoogste gebod. Alles wat die samenwerking in de weg stond, moest aan de kant. Daarom: weg met het Nationaal Arbeids Secretariaat! Ook al haalde de CPN sinds 1918 een groot deel van zijn aanhang daar vandaan.

Wijnkoop, Van Ravesteyn en Ceton hadden er weinig moeite mee: ze waren de eigenwijze syndicalisten liever kwijt dan rijk. Ook de interne discipline, waaraan de Komintern voortaan strenger de hand hield, sprak hen wel aan. Dat een bevelsstructuur hen óók verplichtte zelf te dansen naar het pijpen van het Kremlin, was moeilijker te verteren. Hun royement was niet meer te voorkomen.

De vlucht naar een nieuwe, tweede communistische partij bood niet echt soelaas. In 1930 kroop ex-voorzitter David Wijnkoop op zijn knieën terug naar de `echte' CPN. Bij zijn volle verstand onderwierp hij zich aan het nieuw ingevoerde ritueel van de `zelfkritiek'. In het partijbestuur was voor hem geen plaats meer. De kandidatenlijst daarvoor werd voortaan opgesteld onder de meridiaan van Moskou. Letterlijk.

Gerrit Voerman: De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale, 1919-1930. L.J. Veen, 664 blz. ƒ75,–