Een Uilenspiegel op wereldschaal

Een jongen van het middeleeuwse platteland ontworstelt zich dankzij een talenknobbel en avonturiersbloed aan zijn bescheiden afkomst. Hij bereist Europa en de Oriënt, is bevriend met de groten der aarde en wordt de beschermeling van de Duitse keizer. Hij bemoeit zich met de reliekenhandel, de wetenschap en de wereldpolitiek, maar weet ook nog de tijd te vinden voor zijn favoriete hobby's: lekker eten, oude boeken en mooie vrouwen. Op hoge leeftijd vertelt hij zijn levensverhaal aan een toevallige passant, en het resultaat is een volumineus boek dat wij aan het begin van de 21ste eeuw te lezen krijgen.

Dit klinkt als een samenvatting van Baudolino, de nieuwe roman van Umberto Eco waarvan sinds de verschijning van de Nederlandse editie, eind april, meer dan vijftigduizend exemplaren zijn verkocht. Maar het is de synopsis van De valse dageraad, een ten minste zo amusante historische roman van de Nederlander Jan van Aken (1961). Tien jaar werkte Van Aken aan zijn panorama van Europa rond het jaar 1000; hoe frustrerend moet het voor hem zijn geweest dat zijn uitgeverij – nota bene dezelfde als die van Eco – zijn magnum opus nog geen maand na Baudolino uitbracht. Het is maar te hopen dat de liefhebbers van historische fictie (die naar alle waarschijnlijkheid in de bloedeloze tweede helft van Eco's bestseller zijn gestrand) genoeg leeslust over hebben om voor Van Aken naar de boekhandel terug te gaan. De valse dageraad is opwindend tot het einde en luchtig genoeg om mee te reizen in de vakantiekoffer.

Dat Van Aken wat in zijn mars had, bleek vorig jaar al uit zijn debuutroman, die achteraf beschouwd kan worden als een opwarmertje voor het grote werk. Het oog van de Basilisk was een vrolijk-scabreus boek over de ontmoeting van paus Leo de Grote en Attila de Hun (541). De verteller was niet een van de hoofdrolspelers van deze historische gebeurtenis – wat de authenticiteit van het verhaal ten goede kwam – maar een figuur aan de zijlijn, die als oude man terugdacht aan de momenten dat hij de Geschiedenis in het gezicht keek. Zijn verbazing over de eigentijdse geschiedschrijvers (`Iedereen heeft zijn eigen versie en uiteindelijk overleeft het mooiste verhaal') prikkelde hem tot het opschrijven van de `ware' toedracht.

Olla vogala

Ook de verteller van De valse dageraad, de 99-jarige Hroswithus Wikalensis, zegt te schrijven als correctie op het heersende geschiedbeeld – in dit geval dat van de (historische) Alpertus van Metz, die er in zijn kroniek van het bisdom Utrecht volgens Hroswith een potje van heeft gemaakt. Maar Hroswith, die zijn oude dag slijt in een klooster, heeft wel meer te vertellen dan zijn betrokkenheid bij de grafelijke twisten van de vroege elfde eeuw. Hij neemt een Bijbel, krabt het perkament af en schrijft `in de taal van zijn volk' (een eeuw voor `hebban olla vogala'!) zijn levensverhaal. En zo valt Genesis ten prooi aan Hroswiths jeugd als de van hekserij verdachte zoon van een meestersmid in het oosten van de Lage Landen, en Exodus aan het begin van zijn vérstrekkende haat-liefdeverhouding met een ambitieuze gravendochter. De rest van de Bijbel wordt `ontschreven' met onder meer zijn avonturen als wapensmid en koningsvriend in Denemarken, als handelaar én slaaf op de Dnjepr, als wachtmeester in Moors Cordoba en als bibliothecaris en raadgever van Otto III, de godsdienstfanate keizer van het Duitse Rijk.

Het is een schelmenroman die Hroswith schrijft, een Uilenspiegel op wereldschaal, of liever een pendant van de door Hroswith zeer bewonderde Duizend Nachten. De schrijver voelt zich zelfs een westerse Sjahrazaad, omdat er iemand over zijn schouder meeleest die zijn ketterse arbeid bij de abt van het klooster zou kunnen verraden: `Zolang ik zijn nieuwsgierigheid kon prikkelen, zou hij mij niet storen.' Dat is geen probleem: de eerste millenniumwende (een paar jaar geleden door een historicus `apocalyps toen' gedoopt) is een spannende tijd waarin de edelmoedigste heersers in wreedheid niet onderdoen voor de gevreesde vikingen en waarin 's levens felheid nog niet lijkt ingetoomd door enig civilisatieproces. Seks, drank en vooral bloed vormt de smeerolie van de samenleving, en daarmee ook van Hroswiths kroniek.

Van Aken brengt het hoogtij der Middeleeuwen even beeldend als natuurlijk tot leven. In laconiek maar sierlijk proza laat hij het boeren-, burger-, en burchtleven voorbijtrekken, afgewisseld door tales of ordinary medieval madness: het varken dat na `moord' op een baby wordt veroordeeld tot de brandstapel, de Russische slavenhandelaar die bij wijze van reclamestunt paart met zijn vrouwelijke koopwaar, de reliekenfanaat die met vooruitziende blik lichaamsafval verzamelt van de keizer die ooit wel eens heilig verklaard zou kunnen worden. En natuurlijk houdt Van Aken zich aan de wetten van de moderne historische roman door te spelen met de hindsight van de 21ste-eeuwse lezer. De Nederlandse vrouw van Hroswith stelt voor om hasjiesj uit Arabië te importeren, terwijl zijn beste vriend de hangglider uitvindt om vanaf een rotsplateau aan zijn achtervolgers te ontsnappen. En in een boekenstelende monnik uit Bobbio (`zo'n zwaarlijvige Langobard die de naam van zijn volk nog eer aandeed') valt gemakkelijk Umberto Eco te herkennen, te meer daar deze langbaardige dikbuik de kloosterbibliotheek van Sankt Gallen berooft van het tweede boek van Aristoteles' Poetica, corpus delicti in De naam van de roos.

Jongensboek

Humor, stijl en vaart zijn de belangrijkste kwaliteiten van De valse dageraad,waarop overigens – hoe kan het anders bij een boek van meer dan 500 dichtbedrukte bladzijden? – wel wat valt aan te merken. Zo verlaat Van Aken zich wel erg op het toeval om zijn verhaal spectaculair te houden. Alleen een ouderwets jongensboek (wat De valse dageraad óók is) kan wegkomen met de tournure dat Hroswith in Engeland ontvoerd wordt door de vikingstrijders van de koning die zijn grootvader blijkt te zijn; of met het feit dat Hroswith in Spanje mensen weerziet die hij in Kiev voor het laatst zag. Zoals het ook onwaarschijnlijk is dat de hondsbrutale avonturier door zijn vijanden nooit een kopje kleiner wordt gemaakt, terwijl een mensenleven rond het jaar 1000 goedkoper is dan zelfs het kleinste splintertje van het Heilige Kruis.

Ach, zou je kunnen zeggen, er is ook niemand die klaagt over de onkwetsbaarheid van James Bond, die ontsnapt aan kogels, krokodillen en zelfs de genitaliënverwoestende laserstraal van zijn eeuwige vijand Blofeld. Maar Bond is een flat character, en zo heeft Van Aken Hroswith ongetwijfeld niet bedoeld. De belangrijkste kritiek die je tegen De valse dageraad in kunt brengen is dan ook dat Hroswiths ellende je koud laat — of hij nu maanden in een een put moet doorbrengen of zijn vrouw en kinderen praktisch voor zijn ogen gelyncht ziet worden. Het doet overigens weinig af aan de nieuwsgierigheid en het plezier waarmee je blijft doorlezen.

Hroswith leeft, zoals de oude Chinese vloek wil, in interessante tijden. Maar aan het eind van zijn verhaal en zijn leven moet hij inzien dat de Grote Mannen aan wie hij zijn lot heeft verbonden, keizer Otto III en zijn leermeester paus Silvester II, de wereld niet hebben kunnen veranderen; de dageraad van de nieuwe tijd die hun voor ogen stond, is een valse dageraad gebleken. Uiteindelijk zijn het de boeken die door bibliothecarissen als Hroswith bijeengebracht en gekopieerd zijn – de Latijnse geschiedschrijvers, de Arabische commentaren op Aristoteles – die de cultuur het meest vooruithelpen. En zo heeft het fantastische levensverhaal van Hroswith van Wikala een moraal die iedere moderne boekenliefhebber als muziek in de oren zal klinken.

Jan van Aken: De valse dageraad. Bert Bakker, 536 blz. ƒ49,50