Een heel knappe scherpschutter

Te veel blowen en te weinig school. Pablo Emilio Escobar Gaviria, de in 1949 in het Colombiaanse Medellin geboren zoon van een onderwijzeres en veehouder, geniet een klassieke voor-galg-en-rat-opvoeding. Op zijn zestiende verlaat hij voortijdig het lyceum en ontwikkelt zich tot verdienstelijke autodief en bedrijfsleider van een alternatief incassoburo. Mensen met schulden worden ontvoerd, mishandeld en desnoods gedood. De zaken gaan zo voorspoedig dat hij alsnog het schooldiploma in de wacht weet te slepen: Hij koopt de vervalste documenten.

Het gaat de Colombiaanse drugsbaron lange tijd voor de wind. De machtigste en gevaarlijkste crimineel van Zuid-Amerika bereikt in 1989 de zevende plek op de door Forbes Magazine samengestelde lijst van 's werelds rijkste mensen. Dat enorme vermogen gebruikt de leider van het coke-kartel van Medellin vooral om respectabiliteit te kopen, zo blijkt regelmatig uit Killing Pablo dat een nauwgezette reconstructie maakt van de opkomst en ondergang van Pablo Escobar.

Voor zijn dertigste bezit de drugsdealer door de lucratieve export van cocaïne naar de Verenigde Staten een aanzienlijk kapitaal. In Medellin is hij eigenaar van een twintigtal villa's met een landingsplaats voor een helikopter. Escobar heeft boten, vliegtuigen, veel land, onroerend goedbedrijven en banken. De hoeveelheid cash geld is zelfs zo onhandig groot dat Escobar af en toe stapeltjes bankbiljetten opfikt. Voor de gein.

Hoogste tijd om te gaan rentenieren. Maar zoals bij de meeste criminelen gaat het mis als het niet meer hoeft. Escobar weet van geen ophouden. Hij sponsort kunst en bouwt woningen voor de armen. Hij neemt zitting in de gemeenteraad van Medellin en is eigenlijk van mening dat Colombia hem als president moet nemen. De eerste carriëre-hobbel in deze neemt hij: in 1982 verwerft Pablo een zetel in het Colombiaanse parlement.

Narcocratie

Maar het establishment pikt de opzichtige opmars van de onderwereld niet langer. Escobar moet om te beginnen zijn lijfwachten buiten sturen als hij in het parlement verschijnt. De minister van justitie Rodrigo Lara opent publiekelijk de aanval op de narcocratie die Escobar en de zijnen willen afkondigen. Drie maanden later wordt Lara in zijn Mercedes doodgeschoten door een man op een motor.

Het is de opmaat voor een periode waarin huurmoordenaars en bommenleggers overuren draaien. Politici, magistraten en journalisten die zich kritisch uitlaten over de cocaïnehandel – die door sommigen wordt gezien als een acceptabel middel om de rijkdommen van het noorden af te romen naar het zuiden – worden vermoord.

Mark Bowdens boek vertelt vooral het verhaal over de grote, geheime rol die een speciale eenheid van het Amerikaanse leger speelt bij de ontmanteling van de organisatie van Escobar. Het zijn dezelfde militairen die in 1993 in Somalië actief zijn op jacht naar krijgsheer Aideed die achttien Amerikanen het leven zal kosten. De gebeurtenissen staan in het vorige boek van onderzoeksjournalist Mark Bowden, Black Hawk Down.

Bowdens verhaal over Escobar komt tot stand aan de hand van documenten en verhalen van zijn voornaamse bestrijders en dan vooral vanuit Amerikaans perspectief. Naast de chaotische en veelal corrupte Colombianen zijn de Amerikaanse drugsbestrijders volbloed-helden, mannen-van-stavast die huwelijk en leven riskeren om het vaderland te behoeden voor de handel van de vileine Zuid-Amerikaanse gangsters. Op een enkel wipje buiten de deur na zijn ze volledig toegewijd aan de oorlog tegen de drugsbaronnen. Escobar geldt daarbij als de verpersoonlijking van alle kwaad die met veel spierballen en techniek gevloerd moet worden.

Het belangrijkste wapen van de Amerikanen is elektronische apparatuur die vanuit speciale vliegtuigjes wordt ingezet om het telefoon- en radioverkeer van Escobar te traceren. De vermoedelijke coördinaten van zijn verblijfplaats worden doorgespeeld aan Colombiaanse collega's die de klopjachten uitvoeren. Dat ging meestal weinig subtiel `Het stalken van een hert met een buldozer', noemt Bowden dat.

Hersteloord

Ruim een jaar zit Escobar in een door hemzelf gefinancierde gevangenis. La Catedral heet het complex dat meer weg heeft van een hersteloord waar Escobar zich amuseert met minderjarige hoeren en ongestoord zijn zakelijke activiteiten verder uitbouwt. Als de autoriteiten willen ingrijpen, zet Escobar het opnieuw op een lopen.

Opvallend is dat de hernieuwe achtervolging van Escobar pas echt vruchten afwerpt, als een mysterieus doodseskader – luisterend naar de naam Los Pepes (een Spaans acroniem voor `vervolgden door Pablo Escobar' – zich met de strijd gaat bemoeien. Het eskader bestaat uit concurrenten van Escobar (uit Cali) en vermoedelijk Colombiaanse agenten die al dan niet met moedwillig – Bowden laat dit in het midden – door de Amerikanen verstrekte informatie vrienden, bekenden en bezittingen van Escobar efficiënt en gewelddadig uit de weg ruimt. De drugsbaron wordt zo zenuwachtig en luidruchtig kwaad over deze acties dat hij zijn voorzichtigheid laat varen en traceerbaar wordt.

Op 2 december 1993, een dag na zijn 44ste verjaardag, wordt hij van het dak van een twee verdiepingen tellend gebouw in Medellin geschoten. Officieel is hij op de vlucht neergeschoten. Uit het autopsie-rapport blijkt dat Escobar door drie kogels is geraakt: het rechterbeen en rechterschouderblad werden van achteren geraakt. De dodeljke kogel kwam precies in het midden van zijn rechteroor het hoofd binnen en aan de andere zijde weer naar buiten. Dat moet het werk zijn geweest van een hele knappe scherpschutter of het resultaat van een kogel die naar alle waarschijnlijkheid is afgevuurd toen Pablo na een jarenlange klopjacht eindelijk op de grond lag.

Mark Bowden: Killing Pablo. The hunt for the richest, most powerful criminal in history. Atlantic Books, 286 blz. ƒ69,–