Dichters denken niet

Op de Nederlandse poëzie daalt een filosofische motregen neer. Abstractie in de poëzie leidt tot lichtheid in de verkeerde betekenis van het woord: tot zweverigheid. De overspelige verhouding tussen filosofie en literatuur kan alleen in het geheim bloeien.

Steeds vaker zien we hoe de poëzie een huwelijk met de filosofie aangaat. Bijna de helft van de dichtbundels die tegenwoordig verschijnen houdt zich bezig met vragen over wat wij kunnen kennen, hoe de taal zich verhoudt tot de werkelijkheid, over waarheid, metafysica en over wie wij zijn en hoe wij moeten leven. Het is niet altijd een feest voor wie dit van dichtbij mee moet maken. Een onophoudelijke motregen van filosofemen dreigt de Nederlandse poëzie een gewichtigheid te verlenen die ze niet dragen kan. Abstractie en poëzie zijn nu eenmaal als water en vuur. Water en vuur zijn van levensbelang, maar gooi ze bij elkaar en het vuur dooft of het water verdampt.

Waar komt die opmars van de filosofie vandaan? Veel dichters die er de laatste tien jaar bij kwamen hebben filosofie gestudeerd: Henk van der Waal, K. Michel, Mustafa Stitou, Michaël Zeeman, Esther Jansma, Peter van Lier, Arjen Duinker, Lucas Hüsgen – er zijn er ongetwijfeld meer. Maar daar kan het niet aan liggen want deze dichters zijn niet filosofischer dan zij die de faculteiten Wijsbegeerte mordicus gemeden hebben.

En om wat voor filosofie gaat het? Ik denk niet in de eerste plaats aan oudere dichters als Leo Vroman, die in een persoonlijk soort metafysica een opperwezen schept dat hij met Systeem aanspreekt, noch aan Cees Nooteboom, die Plato's filosofie bijvalt door in een stilleven met kaas, kersen, pruimen en een kan de platoonse ideeën te herkennen en te beschrijven als:

de kaas, de pruimen

de kersen, de kan.

Ik denk ook niet meteen aan de invloed van Schopenhauers metafysica op Kees Ouwens' poëzie, noch aan het gedicht dat Ingmar Heytze elke maand in Filosofie Magazine voor gewone mensen schrijft. Eerder denk ik aan meer eigentijdse filosofie bij een aantal jongere dichters. Bijvoorbeeld aan het hedendaagse nominalisme, dat we meer of minder expliciet bij Arjen Duinker en Esther Jansma tegenkomen. Nominalisme is het idee, dat algemene begrippen slechts namen zijn, dus dat een begrip als `geluk' of `democratie' nog helemaal niet betekent dat geluk en democratie ook werkelijk bestaan. De poëticale gedichten van Arjen Duinker spreken van de `illusie van begrippen' en Esther Jansma heeft in haar laatste bundel, Dakruiters, twee gedichten opgenomen die `Realisme' en `Nominalisme' heten. Ze beginnen met `Het bestaat al voordat ik het ophap' respectievelijk

Het is er niet tot ik het bedenk

met een naam. Ik noem het roos

Dit nominalisme is in de verte verwant met een nogal naïef filosofisch standpunt, dat men op de Ierse bisschop Berkeley terugvoert, het idealisme. Behalve dat de goedbedoelende Berkeley het gebruik van teerwater propageerde tegen allerhande kwalen, meende hij dat de dingen bestaan omdat ze worden waargenomen. Dat idee trekt menig schrijver aan: het is een geijkte truc in de verhalen van Borges, die door velen als bijzonder diepzinnig ervaren wordt. Maar ook in de recente poëzie duikt het telkens op, onlangs las ik het nog bij Jan Baeke, in zijn gedicht `Oefening tegen de tijd' dat zo begint:

Hij doet het licht aan in de keuken

en gaat zitten.

Wat ik heb bedacht bestaat.

Een andere filosofische kwestie die zich in dichterlijke belangstelling mag verheugen is de teloorgang van het subject, het onder andere op Foucault teruggaande idee dat het menselijk ik een fictie is, hooguit een door maatschappelijke of psychische structuren aan ons opgelegde identiteit. Het idee dat wij niet zijn wie wij zijn en wellicht zelfs helemaal niet een persoon zijn, in de klassieke zin van het woord, is in de huidige poëzie een gemeenplaats.

Het valt te herkennen in de maskerades van Komrij, waarmee hij opnieuw zijn laatste bundel opent (`Zij zet haar masker af en wat ik zie/ Is nog een masker. Ook dat zet ze af./ Wat dan verschijnt is masker nummer drie./ Vier, vijf, zes, zeven volgen op een draf.'). Maar bij Komrij kun je van filosofie nauwelijks spreken, omdat hij zich hoedt voor algemene beweringen. Duidelijker is het verdwenen ik bij de zich expliciet postmodern noemende Joost Zwagerman, wiens vorige week besproken bundel opent met `Zeven Joosten' – de titel spreekt in dit verband voor zichzelf. Bij Mustafa Stitou komt in Mijn gedichten het woord `gezichten' voor met een streep erdoor en het zou me verbazen als dit geen verwijzing is naar Foucaults verkondiging van de dood van het subject, en zijn befaamde uitspraak dat de mens verdwijnt zoals op de vloedlijn een gezicht van zand.

Hoe kon de neiging tot theoretiseren zo succesvol in de Nederlandse poëzie doordringen? Geen wonder, kun je zeggen, wijsbegeerte is booming business en dichters zijn geen zweverige types meer die op andermans zak willen teren. Zeker in een traditionele koopmansnatie als de onze pikken ze dus een graantje mee, vooral nu in alle kunsten de lof van de markt wordt bezongen. Toch is zo'n verdenking van opportunisme en geldelijk gewin te simpel. Er moeten meer inhoudelijke redenen zijn voor de filosofische belangstelling in de dichtkunst.

De verhouding tussen dichtkunst en filosofie kent een lange geschiedenis die fluctueert tussen bittere vijandschap en symbiotische vriendschap. In de ideale staat van Plato krijgen de filosofen het voor het zeggen en wordt de poëzie verguisd. Daarentegen kent de oudheid eveneens een groot aantal filosofische leerdichten, uiteenlopend van het werk van de Griekse natuurfilosofen tot Lucretius' De rerum natura. Deze tractaten zijn niet alleen naar de vorm poëzie, ze zijn ook vaak evocatief. Het wijsgerig leerdicht bleef lang bestaan, tot Alexander Pope's Essay on man (1733-1734) en ten onzent tot in de negentiende eeuw bij de onvolprezen Johannes Kinker (1764-1845), die op rijm de geschriften van Kant behandelde.

De romantici wantrouwden de analyse en de abstractheid van de wijsbegeerte, hoezeer ook dichters als Coleridge en aanvankelijk Hölderlin zich vastbeten in de filosofische verhandelingen van het Duitse Idealisme. Van die romantische scepsis jegens systematisch denken was later de avant-garde vervuld. De Vijftigers vierden bij ons het zintuigelijke, het spontane en irrationele en moesten van levensbeschouwing en abstracte metafysica niet veel hebben.

ik heb al lang en breed geleden

onder deze hoge deze diepe bedoeling

het onpeilbare te peilen

dichtte Lucebert. En nog onlangs lazen we bij Hugo Claus in Wreed geluk (1999):

Wijsgeren in hun wijsgerig hemd

met hun immanent en hun

transcendent

wil ik in brand steken.

Het lijkt me een wat rigoureuze maatregel. Niet alleen omdat ikzelf filosoof ben, maar ook omdat de wijsbegeerte een prachtige wetenschap is, die waardering verdient. Misschien zou je de eerste regel van Claus moeten vervangen door `Dichters in hun wijsgerig hemd'?

Met de opkomst van het zogeheten neorealisme en het tijdschrift Barbarber in de jaren zestig wordt de poëzie nog concreter dan bij de Vijftigers. Dichters als Bernlef en K. Schippers wilden van een aantal poëtische pretenties af en isoleerden stukjes tekst uit de werkelijkheid om daar poëzie van te maken: boodschappenlijstjes, reclame, krantenberichten. Deze dichters maakten de dichtkunst bewust van de manier waarop we naar de werkelijkheid kijken, en van de manier waarop we lezen. Bijvoorbeeld in dit gedicht van K. Schippers:

Kan ik zeggen: `Na deze zin

komt nog een zin' of lieg ik dan?

Ik had het kunnen zeggen,

maar hier niet meer.

De concreetheid van zo'n gedicht is paradoxaal, want het is tegelijk poëzie die over poëzie gaat, een soort meta-gedicht dus. Een dergelijk zelfbewustzijn staat aan de wieg van wat later autonome poëzie ging heten. Poëzie die niet alleen poëticaal is, maar haar eigen materiaal, de taal, aan een grondig onderzoek onderwerpt, zoals dat een tijd bij Kouwenaar viel te bespeuren, en bij Faverey een hoogtepunt bereikte. Daarmee wordt een hardnekkige belangstelling geboren voor de verhouding tussen taal en werkelijkheid. Wat drukken woorden uit, waar verwijzen ze naar? En hoe verhoudt de verbeelding zich tot die werkelijkheid? Neem deze karakteristieke regels uit Faverey's bundel Hinderlijke goden (1985):

Alles wat is gezien

blijft veranderd in verzonnen,

tot het opnieuw wordt gezien.

Ach, zelfs als ik haar zie:

wie bewijst mij dat zij bestaat.

Zelf verzin ik mij voortdurend opnieuw

om te voelen of het nog gaat. (...)

Het zijn verraderlijk complexe regels over wat er is, wat je je herinnert, over de rol van de waarneming, het ik, de taal en de poëzie.

Zulke belangstelling voor het conceptuele vertoont een interessante parallel met die in de beeldende kunst. Niet voor niets wezen Bernlef en K. Schippers in Cheque voor een tandarts (1967) op de betekenis van dada en pop-art voor Barbarber. Marcel Duchamps fameuze urinoir, zijn flessenrek en zijn fietswiel op kruk isoleerden niet alleen alledaagse dingen om ze tot kunst te maken, ze hadden een sterk conceptuele betekenis omdat ze als kunstwerk de vraag opwierpen, wat kunst eigenlijk was. In het verlengde daarvan onderstreepte de Amerikaanse filosoof en criticus Arthur Danto het belang van Andy Warhol. Hij verklaarde dat diens Brillo Boxes, tentoongestelde zeepdozen, hem de ogen openden. Het was niet meer het voorwerp zelf waar het om ging – dat waren immers gewoon zeepdozen (zij het dat ze waren nagemaakt) – en dus moest het om iets anders gaan: het denken erover, het concept. Voor het eerst in de geschiedenis leken de kunstwerken zelf overbodig te zijn geworden!

Die observatie gaat verder dan de geboorte van de conceptuele kunst, althans bij Danto, die meende dat hiermee het laatste stadium in de kunst was aangebroken, het stadium waarin kunst overging in denken over kunst – en daarmee in filosofie. Aldus deed hij nog eens over wat Hegel bijna tweehonderd jaar eerder had bedacht, toen hij meende dat de romantische kunst het laatste stadium van de kunstgeschiedenis was, waarna de kunst onvermijdelijk op zou gaan in wijsbegeerte (en wel die van Hegel zelf).

Een vergelijkbare analyse zou je op de poëzie kunnen loslaten. Wat Danto over de Brillo Boxes beweert geldt evengoed voor de advertenties en boodschappenlijstjes van Barbarber, die hun vervreemdende en ironische werking ontleenden aan het feit dat ze als poëzie werden gepresenteerd. De dichtkunst is zich sindsdien steeds meer van zichzelf bewust geworden, en dat zelfbewustzijn is deel uit gaan maken van de poëzie, zoals het denken over kunst onlosmakelijk verbonden is met Duchamps flessenrek en Warhols Brillo-dozen. Alleen zie je het bij poëzie iets moeilijker dan in de beeldende kunst, aangezien taal en denken al vanouds tot de poëzie behoren, zodat zulke reflectie daar minder opvalt dan in de beeldende kunst, waar taal traditioneel een wezensvreemd element was.

Door deze toenemende reflectie kon de poëzie de opbloeiende filosofie in de armen sluiten. Die opbloei vind ik prachtig, maar het is jammer dat zij ook in de dichtkunst heeft toegeslagen. Het belangrijkste bezwaar is, dat het vrijwel altijd om geweldige clichés gaat, om filosofische open deuren. Dat waarheid niet bestaat, ook zo'n topos in hedendaagse gedichten, is een al honderddertig jaar besproken onderwerp waarvan zelfs iemand die de filosofie op zeer grote afstand volgt niet meer opveert. Hetzelfde geldt voor afgekloven standpunten als de dood van het subject (dertig jaar en vogue) en het idealisme (300 jaar bediscussieerd). Zou je er in een gedicht iets nieuws aan toe voegen, dan zou dat mooi zijn, alleen kan dat nu juist niet in de poëzie, want wat je toe moet voegen zijn nauwkeurige redeneringen en die doen het slecht in een gedicht.

Dat komt door het feit, en dat is een tweede bezwaar tegen filosofie in de dichtkunst, dat poëzie geen dingen beweert, maar toont, om eens een zinvol filosofisch onderscheid aan te halen (van Wittgenstein). Aanhangers van Heideggers gedachten over een dichtend denken, deconstructivisten als Derrida, en andere filosofen die menen dat de grens tussen literatuur en filosofie niet bestaat willen daar niet aan, evenmin kennelijk als dichters die aan het filosoferen slaan. Zij wijzen erop dat het karakter van een tekst nooit is vast te leggen en dat juist daarin de waarde van teksten schuilt. Ze vergeten een cruciaal verschil. Een filosoof kun je opbellen en vragen: wat bedoelt u? Wie een dichter met die vraag lastig valt, heeft niet begrepen wat poëzie is.

Dat gedichten niet beweren, hangt samen met een ander onderscheid tussen literatuur en filosofie, namelijk dat literatuur, als alle kunst, dubbelzinnig is. Geen kunstwerk is wat het is, of beter: het is altijd ook iets anders dan het is. Literatuur is altijd ambigu, er staat nooit wat er staat. Filosofische teksten kunnen dubbelzinnig zijn, of suggestief of inconsistent, maar dan moeten ze meteen de prullemand in. Filosofische passages in de dichtkunst zijn dus of waardeloze filosofie omdat ze onnodig ambivalent en tegenstrijdig zijn, of waardeloze poëzie omdat ze plat en ondubbelzinnig zijn.

Een ander bezwaar tegen filosofie in de dichtkunst is de abstractheid. Nu hoeft niet alle poëzie even zintuigelijk of concreet of beeldend te zijn. Alleen doen de abstracte filosofische kwesties naar precieze redeneringen verlangen, en niet naar dichtregels waar je verschillende kanten mee op kan. Abstractie in de poëzie leidt tot lichtheid in de verkeerde betekenis van het woord: tot zweverigheid. Abstracte begrippen verdienen hoe dan ook al enig wantrouwen. Als ze niet tot iets aanschouwelijks leiden, aldus Arthur Schopenhauer, zijn het `Wegen im Walde, die ohne Ausgang endigen'.

De dichter, of de schrijver, aldus dezelfde Schopenhauer, neemt juist `uit de grenzeloze warboel van het overal in onophoudelijke beweging zijnde, voortspoedende mensenleven één enkele scène, ja, vaak slechts een gevoel of ervaring, om daarmee te laten zien wat het leven en het wezen van de mens voorstelt.' Poëzie is volgens hem de kunst om door woorden de verbeelding op gang te brengen. Dat het nu uitgerekend een oude filosoof is, die de dichters af moet leren hun gedichten met filosofie op te smukken!

Het mooie van poëzie is, dat er geen strikte verboden bestaan. Alles kan, als je het maar goed doet. In een beetje een gedicht kan water branden. De Rotterdamse dichter Riekus Waskowsky maakte destijds een paar grappen over Wittgenstein in zijn gedichten en bijbehorende foto's waar ik wel om kon lachen. Mustafa Stitou doet iets vergelijkbaars als hij in zijn laatste bundel iemand ijs laat verkopen aan een mevrouw Schopenhauer (bitter citroenijs). Martin Reints maakt in zijn vorig jaar verschenen bundel Tussen de gebeurtenissen helemaal geen grappen en verwijst naar Wittgenstein en citeert zelfs regels van Heraclitus zonder dat het hindert. Dat komt, omdat hij niet filosofeert. Henk van der Waal begint zijn laatste bundel omineus met een citaat van Levinas, maar ook hij hangt niet de wijsgeer uit.

Het ligt nog iets lastiger, want uiteindelijk komen kwesties over wie wij zijn en wat wij geloven of weten of moeten doen of de moeite waard vinden onvermijdelijk in de poëzie naar voren. Dat zijn echter alleen filosofische kwesties als je ze in abstracte of filosofische begrippen behandelt, als je beweert in plaats van toont, redeneert in plaats van de verbeelding op gang te brengen – als je filosofeert in plaats van dicht met alle middelen die je daartoe tot je beschikking hebt.

De verhouding tussen beide gebieden is een ingewikkelde. Zoals Nelleke Noordervliet het eens uitdrukte: Filosofie is getrouwd met de wetenschap, en literatuur is getrouwd met de kunst. Filosofie en literatuur hebben sinds jaar en dag een overspelige verhouding, die alleen in het geheim kan bloeien. Bij een openbare flirt is het meteen gedaan met hun samenzijn. Een inzicht waar ook menig filosoof trouwens zijn voordeel mee zou kunnen doen.

De dichtkunst kan iets opsteken van de stelregel die de dikke handelsman Malfenti in Svevo's Bekentenissen van Zeno noteert: `In zaken is theorie van het grootste nut, doch alleen toe te passen nadat de zaak beklonken is.' Poëzie hoeft de filosofie en de filosofen niet te mijden, maar ze moet niet zelf filosofie willen zijn.