De zaak-Waterdrinker

In de kwestie Waterdrinker, de schrijver die in een roman een bestaande burgemeester beledigde, zou Rudy Kousbroek zich niet goed gedragen hebben.

,,Ik tart Kousbroek om zijn idiote uitspraken te herroepen'', besluit Bastiaan Bommeljé een artikel in het laatste nummer van Hollands Maandblad (2001-5). Dat liegt er niet om. Waar zouden die idiote uitspraken van mij dan wel uit bestaan en waar haalt Bommeljé ze vandaan? Als je daarnaar op zoek gaat, komen er inderdaad idiote uitspraken naar boven, alleen niet van mij.

Het gaat over de kwestie-Waterdrinker, een schrijver die zich met zijn eerste roman, Danslessen (1998) een strafklacht op de hals haalde door in dat boek de burgemeester van Zandvoort onder zijn eigen naam op te voeren en vervolgens door een personage in de roman te laten beschrijven als `gnoomachtig' en `dat joodje'. In de woorden van Bommeljé: ,,De burgemeester in het boek heet Van der Heijden. De huidige burgemeester van Zandvoort heet M.R. (Rob) van der Heijden. Hij is jood, net als de burgemeester in het boek.''

Ik heb die burgemeester een keer ontmoet. Ik vond hem bescheiden en redelijk. Hij had deze behandeling als smadelijk ervaren, en de rechtbank gaf hem daarin gelijk, de politierechter achtte de betreffende passages `onnodig kwetsend en grievend', terwijl zij `niet onmisbaar zijn voor de inhoud en strekking van het boek'. Van der Heijdens reactie trof mij als begrijpelijk en ik vertelde hem dat. Het ging om een symbolisch klein bedrag. Maar ik zal nu eerst citeren hoe dit door Bommeljé in het Hollands Maandblad wordt beschreven:

,,Evenzeer verguld met de veroordeling toonde zich Rudy Kousbroek in het radioprogramma `De Tafel van Pam'. In dit programma was burgemeester Van der Heijden aanwezig (Waterdrinker was niet uitgenodigd), en tot hoorbare verbazing van Max Pam – en hoorbare verbijstering van vaste gast Theo van Gogh – feliciteerde Kousbroek de burgemeester met de rechterlijke uitspraak. Hij betoogde dat er paal en perk diende te worden gesteld aan schrijvers die hun laakbare uitingen verpakken in fictie. Medegast Wim T. Schippers voer in de overtreffende trap uit tegen Waterdrinker, hoewel bij hem niet helemaal duidelijk was in hoeverre hij de hyperbool als theatervorm gebruikte. Zeker is wel dat Kousbroek zei: `Van een meesterwerk zie je nu eenmaal meer door de vingers dan van een prutswerk.' Even zeker is dat hij het boek van Waterdrinker niet gelezen had.''

Laat mij nu op mijn beurt eens op een rijtje zetten wat `zeker' is:

- Zeker is dat het `radioprogramma' waar Bommeljé al die emoties in kon horen niet bestond: het was namelijk televisie.

- Zeker is daarbij dat de `hoorbare verbijstering' van Theo van Gogh die Bommeljé rapporteert op fantasie berust: Van Gogh was niet aanwezig.

- Zeker is bovenal dat de uitspraak `van een meesterwerk zie je nu eenmaal meer door de vingers dan een prutswerk' in die uitzending niet voorkwam. Bommeljé heeft die woorden ergens anders vandaan, en alleen al het feit dat hij dat er niet bij zegt, suggereert een misleidende opzet. Ook zijn gebruik van het woord `hoorbaar' wijst daarop. Mijn beurt om Bommeljé `te tarten zijn idiote uitspraken te herroepen'.

Al dit gemodder had voorkomen kunnen worden als Bommeljé mij om opheldering had gevraagd. Dat geldt speciaal voor die zinsnede over de meesterwerken en prutswerken die hij, zoals hij de lezer niet meedeelt, niet uit die uitzending citeert, maar uit een stukje in de Volkskrant van 27.1.2000.

Die woorden werden mij toegeschreven in een niet-ondertekend stukje getiteld `Waterdrinker heeft niet de juiste vrienden', onderdeel van een rubriek met de titel `Rumoer', onder redactie van Machteld van Hulten. Ik vermoed dat zij het was die ik aan de telefoon heb gehad en die ik nog te goeder trouw heb staan uitleggen dat ik sinds Bezonken rood van Jeroen Brouwers minder geneigd was schrijvers te ontslaan van verantwoordelijkheid ten aanzien van het vermengen van werkelijke feiten en verdichtsel in een roman, zoals ook W.F. Hermans tot dezelfde conclusie was gekomen n.a.v. de Weinreb-trilogie.

Niets daarvan is terug te vinden in dat stukje. Uit alles blijkt dat `rumoer' inderdaad de opzet van die publicatie was, en pas later heb ik begrepen dat mij de rol van `vijand van Waterdrinker' was toebedacht; de opzet was mij de opinie toe te schrijven dat ik de veroordeling van Waterdrinker `toejuichte' omdat hij niet tot mijn vriendenkring behoorde en onbelangrijke schrijvers nu eenmaal geen rechten hebben – uiteraard een onjuiste en lasterlijke voorstelling van zaken.

Ik had natuurlijk onmiddellijk moeten reageren, maar ik kreeg de tekst pas weken later onder ogen (de redactie vond het niet nodig mij die toe te sturen), en toen heb ik het er maar bij gelaten. Sindsdien is er een hele Waterdrinker-affaire ontstaan, als gevolg van een ook in mijn ogen misplaatste neiging de zaken op de spits te drijven. Van het verbieden van een publicatie mag helemaal nooit sprake zijn, maar wel ben ik van mening dat een schrijver die in een boek werkelijk bestaande feiten en mensen laat optreden zich niet kan verschuilen achter het argument dat het een roman is. Tegenwerpingen als die van Martin Bril, in datzelfde stukje (dus misschien is dat ook verzinsel): ,,Dan mag er binnenkort zeker ook niet meer geneukt of gescholden worden in een boek'', zie ik als demagogische flauwekul. Er moet mij trouwens van het hart dat er in al dit kabaal één vraag is die niet wordt gehoord, laat staan beantwoord: wat was in vredesnaam de reden dat Waterdrinker die burgemeester niet een gefingeerde naam heeft gegeven? Waarom heeft hij diens werkelijke naam gebruikt? Hij die zelf onder een gefingeerde naam publiceert?