De revolutie smeulde nog heel lang na

Als je de kiezer niet hoort of ziet, gaat het goed met hem, volgens het adagium van Frits Bolkestein. Die opvatting helpt om het gebrek aan maatschappelijke betrokkenheid te relativeren en het verlangen naar vuurwerk te temperen. Een menselijk trekje. Zouden sommige vakbondsvoormannen niet eens heimelijk terugverlangen naar de pre-poldermodeltijd van verlammende stakingen en onderhandelingen met het mes op tafel? Daar en toen ging het ergens om.

Voor de terugverlangers, maar ook voor andere geïnteresseerden, is het proefschrift van historicus Dennis Bos, prettige lectuur. Lijkt met de huidige jobhoppende carrièreplanner op een te krappe arbeidsmarkt het einde van de weg naar emancipatie van de werknemer wel bereikt, in Waarachtige volksvrienden beschrijft Bos beeldend en boeiend de periode waarin de emancipatie van de arbeider nog volledig haar beslag moest krijgen: tussen 1848, het jaar van spanningen en woelingen in heel Europa, inclusief Amsterdam, en 1894, het jaar waarin de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) werd opgericht. Chronologisch behandelt hij de periode tussen deze jaartallen, tussen het opduiken van de eerste, Duitse communisten in Amsterdam, en het schisma in de socialistische arbeidersbeweging. Deze geschiedenis had niet zo geschreven kunnen worden, als niet de persoonlijke uitingen uit de werkliedenstand waren overgeleverd, bijvoorbeeld in het periodiek Recht voor Allen. De uitingen werden serieus genomen en niet terzijde geschoven. Corrector Alexander Cohen schreef in zijn herinneringen dat hij de kopij altijd zo veel mogelijk had gerespecteerd, en nooit had hij geglimlacht om `jelui gebrekkige maar dikwijls ontroerende taal'.

In de negentiende eeuw was Europa ontvankelijk voor verandering. In Nederland ontstond er ruimte voor afschaffing van slavernij en doodstraf, voor door de staat gecontroleerd onderwijs, en – veel later – voor algemeen kiesrecht. En voor lotsverbetering door loonsverhoging, natuurlijk, maar zeker niet zonder algemene vorming en invoering van inkomstenbelasting, zodat minder bedeelden van staatswege gesteund konden worden, plus gunstiger arbeidstijden en -omstandigheden. En terecht, want `klassenstrijd' en `standenmaatschappij' waren nog woorden met betekenis. Arbeiders verdienden te weinig en ontmoetten slechts hoon en minachting, en de levensomstandigheden van werklozen en hun gezinnen waren erbarmelijk. Daarin verandering brengen was niet minder dan een kwestie van beschaving. Daarmee zou niet alleen de arbeider gebaat zijn, maar ook de maatschappij, die immers veel minder misdrijven zou kennen.

Damoproer

Bos begint zijn boek bij het Damoproer van 1848. Dat stelde op zichzelf niet zo veel voor, zoals hij terecht opmerkt, maar gevoegd bij de eerdere revolutionaire acties in Europa, benauwde de toestand koning Willem II zozeer, dat hij zelf ijlings voorstellen deed voor een grondige herziening van de grondwet. De grondwetswijziging van 1848 verzekerde onder meer vrijheid van vergadering, en dat gaf de arbeiders nieuwe mogelijkheden. Langzaam maar zeker werden die in de jaren daarna benut. Vanaf begin 1885 vonden de sociaal-democraten onderdak in het vervallen zalencomplex in het Volkspark, direct westelijk van de Jordaan, de buurt waar de socialisten hun grootste aanhang hadden. Voor het eerst hadden ze zeggenschap over een vrije ruimte van enige omvang, een punt dat jarenlang hoog op de agenda stond. In 1890 werd het eindelijk gereedgekomen gebouw Constantia aan de Rozengracht de nieuwe uitvalsbasis voor de Amsterdamse strijders voor de goede zaak. Uitgelokte knokpartijen met de politie na afloop van vergaderingen behoorden tot het vaste repertoire van een socialistisch avondje uit.

Ook elders zochten geharnaste strijders voor de volksbevrijding de grenzen. Dat deze tussen privé-domein en publieke zaak soms volledig vervaagden, blijkt uit de advertentie die colporteur Lebleau bij de geboorte van zijn vierde kind in De Werkmansbode plaatste. Hij laat zijn andere kinderen zeggen: 'En het is zeker en gewis,/ Dat de geboorte van dat vierde kind/ Voor onze ouders/ Meer vloek dan zegen is.'

De socialist R.A. Oosterhout ging in zijn afwijzing van de dubbelhartige burgerlijke moraal zo ver dat hij buitenechtelijk geboren kinderen beschouwde als de bloem der natie. Zij waren immers het gevolg van een werkelijk zuivere teeltkeuze. Het zoeken naar een nieuwe revolutionaire moraal uitte zich behalve in het propageren van de vrije liefde tussen man en vrouw in geheelonthouding en vegetarisme. Het bleven minderheidsstandpunten.

De jarenlange arbeidersstrijd kreeg een impuls door de bekering tot socialist van predikant F. Domela Nieuwenhuis in 1879. In zijn herinneringen schrijft die zijn ontwikkeling niet toe aan contacten met de Amsterdamse socialisten, maar aan een geleidelijke bekering van binnenuit, door persoonlijke tragedies en door nijvere studie van de socialistische klassieken. Als schrijver en als spreker werd Nieuwenhuis de grote propagandist van het socialisme. Zijn blad Recht voor allen vond steeds gretiger aftrek, colporteurs wierven leden, er waren massabijeenkomsten. Na zijn arrestatie, en zijn vrijlating in 1887, was het martelaarschap van Nieuwenhuis compleet. In 1888 werd hij in de Kamer gekozen. Nadat hij drie jaar later niet werd herkozen, ontwikkelde hij zich radicaler. Als vertegenwoordiger van de revolutionaire stroming stond hij tegenover de Friese dichter Pieter Jelles Troelstra, een van de oprichters van de SDAP.

Nederlaag

Met de komst van de SDAP als landelijke partij behaalde de nieuwe of parlementaire richting steeds meer de overhand, al smeulde in Amsterdam het revolutionaire vuur lang na. De eerste openbare vergadering van de SDAP aldaar, in gebouw Constantia, ontaardde in geweld tegen de `parlementairen', die een bittere nederlaag leken te lijden. Maar schijn bedroog. Al spoedig verwierf de parlementaire richting een dominante positie en werd het revolutionaire kamp gezien als een oude, vermoeide en verdwaasde beweging zonder ideologisch kompas en met een overvloed aan onbekookte naturen.

Deze opvatting heeft lang de geschiedschrijving van het socialisme bepaald. Bos keert zich in deze studie tegen het dominante idee als zou het socialistische leven voor 1894 nauwelijks serieus te nemen zijn. Zijn weergave van de lotgevallen van individuen toont de verbrokkeling, sterke lokale gerichtheid, gebrekkige organisatie, en uiteenlopende meningen en doelstellingen binnen de vroeg socialistische beweging.

Maar bij Bos betekent dit zeker geen diskwalificatie. Hij plaatst zo op het eerste gezicht losse initiatieven in het grotere verband van één beweging. En zo worden deze initiatieven het noodzakelijke fundament voor het latere socialisme.

Dennis Bos: Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894. Bert Bakker, 448 blz. ƒ39,50