De rechter krijgt het voor zijn kiezen

Kroongetuigen, dubbelspionnen en DNA-sporen. De rechter heeft de beschikking over meer middelen dan ooit om een vonnis te vellen. Maar hoeveel zijn al die nieuwe methoden waard in Nederland?

Het afgelopen decennium hebben de Verenigde Staten de strijd tegen internationaal terrorisme verbreed van diplomatieke en militaire middelen naar de strafvervolging. Zo leverde de CIA in het Lockerbie-proces een belangrijke getuige à charge. De drie Schotse rechters bevonden zijn getuigenis volstrekt ongeloofwaardig, zozeer zelfs dat dit voor een van de twee Libische verdachten het verschil uitmaakte tussen veroordeling en vrijspraak.

Dat leidt tot een verontrustende vraag: als een informant zo vreselijk door de mand valt in een strafproces, hoe komt het dan dat hij zo overtuigend is voor een geheime dienst? Deze discrepantie is niet alleen van belang voor de CIA c.s. maar ook voor het inlichtingenwerk van de politie in een rustig land als het onze dat aan de basis ligt van menige `megazaak'.

Deze tak van dienst wordt in een onconventionele essaybundel met de titel Schaduwen over Van Traa door A.B. Hoogenboom gekarakteriseerd als een zwarte doos van `leugens, (zelf)bedrog en vertrouwen'. De auteur is werkzaam bij een groot accountantsbureau en bijzonder hoogleraar Forensic Business Studies aan de universiteit Nijenrode. De titel slaat op de parlementaire enquête bijzondere opsporingsmethoden uit 1995, die nog steeds zijn schaduwen werpt over de strafrechtspleging in zaken van zware en georganiseerde criminaliteit.

Het motto van de Criminele inlichtingendiensten (CID's) is vaak `maar wij weten meer'. Dat kan waar zijn, maar het dient volgens Hoogenboom ook als alibi voor `overdreven gekoketteer' of zelfs het maskeren van onwetendheid. Met instemming citeert de auteur de voormalige `super-PG' Docters van Leeuwen die het politiebedrijf eens karakteriseerde als een doos van Pandora. De politiecultuur vormt een lastige werkomgeving. Een gezond wantrouwen hoort bij het werk. Maar het kan gemakkelijk doorschieten. Tijdens het voorspel van de enquête-Van Traa vermeldde een Amsterdamse recherchechef wat hij noemde `een grappig incident'. Op de terugweg van een receptie in de korpssociëteit belde hij uit de auto zijn zusje en vertelde van de spanningen die daar gebleken waren. De volgende dag belt de chef van een concurrerend team hem op en zegt dat een van zijn palen het gesprek had opgevangen.

Zo'n sportief telefoontje maakt veel goed. Maar de politiestrijd die tot de parlementaire enquête leidde, nam heel wat minder onschuldige vormen aan. Des te opmerkelijker is het accent dat Hoogenboom legt op de factor vertrouwen in zijn beschrijving van de politiek-bestuurlijke en magistratelijke culturen. Toch moet daar de controle op de politie voor een belangrijk deel vandaan komen. Enkele typerende citaten uit de verhoren van Van Traa c.s. Een hoofdofficier van justitie zegt over de processen-verbaal die zijn bureau passeren: `dat is een kwestie van vertrouwen. Ik kan niet verder gaan dan dat accepteren totdat het tegendeel is gebleken'. Een burgemeester/korpsbeheerder vertelt de enquêtecommissie `dat je vertrouwen hebt in die mensen, anders kun je geen bevoegdheden delegeren'. Een rechter-commissaris, geconfronteerd met de klacht van tanend vertrouwen in openbaar ministerie en politie: `Mijn vertrouwen als rechter is niet tanende'.

Vraagteken

Deze rechter gaf een interessante toelichting. Hij was zelf officier van justitie geweest en vertelde dat het een hele omschakeling had opgeleverd: hij was niet gewend om `achter elke zinsnede in een proces-verbaal toch even een kritisch vraagteken te plaatsen'. Zou zijn uitgesproken vertrouwen er niet mee te maken kunnen hebben gehad dat de informatie die hem als rechter wordt voorgelegd `voorgekookt' is, wilde een lid van de enquêtecommissie weten: `U honoreert immers in negen van de tien gevallen'. De rechter hield dat tegen: aan die negen van de tien gevallen gaan vaak kritische vragen van zijn kant vooraf en als het beeld dan helder wordt is er geen reden te weigeren. Het was dus vertrouwen `per saldo'.

Toch legde het commissielid de vinger op een zere plek van de Nederlandse strafrechtspleging. Deze werd door de onlangs overleden strafrechtgeleerde Ch.J. Enschede graag vergeleken met een oude reclame van de verffabriek Ripolin. Deze laat een rij mannetjes zien die elk een letter van de merknaam op elkaars rug schilderen. Ieder mannetje ziet dus alleen de rug van zijn voorganger en niet wat er aan vooraf gaat. Dat beperkt het blikveld.

Het Ripolin-effect krijgt een nieuwe, wetenschappelijke naam in de studie Complex Cases onder auspiciën van het NIAS in Wassenaar en het Centrum voor Criminologie en Strafrecht in Leiden. Ripolin heet nu het `Audit Model', maar de kern is hetzelfde gebleven: een piramide waarbij de officier van justitie het werk van de politie controleert en de rechtbank het werk van politie, OM en rechter-commissaris. Daarna kunnen hoger beroep en cassatie volgen voor nadere controles. In elke fase neemt het belang van `het dossier', de schriftelijke neerslag van de voorafgaande werkelijkheid, toe. En daarmee het gewicht van het `dominante plaatje'.

Complex cases gaat vooral over de moeilijkheid van gerechten om een beslissing te geven in kwesties waarbij natuur- of gedragswetenschappelijk bewijs een belangrijke rol speelt. Een voorbeeld is de `balpenmoord', de geruchtmakende zaak waarin een zoon ervan werd beschuldigd zijn moeder te hebben doodgeschoten met een balpen uit een kruisboog, die in haar oog drong. Of had zij een ongelukkige val gemaakt met het schrijfgerei? Wetenschappelijke proeven hebben na een aanvankelijke veroordeling geleid tot vrijspraak. Complex cases sluit aan bij het boek Dubieuze zaken van de (rechts)psychologen Wagenaar, Van Koppen en Crombag uit 1992, die vraagtekens zetten bij het (gedrags)wetenschappelijk gehalte van de weging van getuigenverklaringen door rechters – een elementair onderdeel van menige strafzaak.

Daar is weer de nodige juridische kritiek op gekomen, maar het wordt alleen maar ingewikkelder. DNA-bewijs bijvoorbeeld, nog onlangs in de Tweede Kamer aangeprezen als hét middel om de schamele ophelderingspercentages op te krikken. Onderzoeksjournalist Siem Eikelenboom van het tv-programma NOVA schreef er een helder boek over, De genetische vingerafdruk. Hij beschrijft enkele schokkende zedenzaken die het onderwerp hoog op de agenda hebben gezet en ammunitie werden voor een fikse lobby van politie en justitie.

Ontnuchtering

De beschrijving van de technische ontwikkeling geeft ontegenzeggelijk hoop, maar vormt ook een reden tot ontnuchtering. Dat geldt vooral voor sommige claims over stijging van de ophelderingspercentages. DNA wordt wel de moderne versie van de vingerafdruk genoemd, maar in elk geval geldt ook hier de oude wijsheid: zonder goed speurwerk kan de politie er weinig mee. Al was het alleen vanwege de serieuze risico's van `bevuiling' van DNA-bewijsmateriaal, zoals een rechercheur eind vorig jaar waarschuwde in SEC, het tijdschrift voor samenleving en criminaliteitspreventie.

En dus blijft de rechter het moeilijk houden. DNA is trouwens maar van belang in bepaalde soorten zaken (geweld, zeden, soms een inbraak) en zal niet gauw in aanmerking komen bij de eerder genoemde megazaken en aanverwanten. Daar speelt veeleer de oude vuistregel `met dieven vangt men dieven'. Ook die aanpak is onderwerp van twee publicaties. Vrij Nederland-redactrice Marian Husken concentreerde zich op een `inside story van infiltranten en kroongetuigen' onder de titel Deals met justitie. Zij beschrijft de carrières van undercover-coryfeeën als `Haagse Kees', `de Slak' en `de Coureur', en de bijbehorende dilemma's voor de top van de Nederlandse advocatuur. Zij eindigt met de vraag of de overheid zich wel dient in te laten met dit soort dubieuze zegslieden. Maar eigenlijk is haar vraag: moeten we in Nederland wel criminele inlichtingendiensten hebben die de bron zijn van dit soort deals?

De Nijmeegse hoogleraar Peter J.P. Tak redigeerde een dik boek over het brede scala van bijzondere opsporingsmethoden die in Nederland aanleiding hebben gegeven tot de parlementaire enquête. Zoals de titel Heimelijke opsporing in de Europese Unie aangeeft, legt hij het accent op rechtsvergelijking. De weinig verrassende conclusie is dat de juridische marges binnen de Unie uiteenlopen. Daar kan men op twee manieren tegen aan kijken. Allereerst: de Europese ruimte is een supermarkt waarin men naar believen kan shoppen naar de meest royale overheidsbevoegdheid. Of: bijzondere opsporingsmethoden zijn maatwerk, die niet los gezien kunnen worden van de eigen beperkingen van een strafrechtelijk systeem. En dat is, ook in een economische unie, nog altijd een zaak van nationale afwegingen en tradities.

Bij eerdere gelegenheden zoals de kwestie van de kroongetuige heeft Tak er geen geheim van gemaakt dat hij veel voelt voor de `supermarktbenadering'. In zijn overzicht pleit hij voor een `zeer geleidelijk proces'. Van belang is vooral dat hij dit met zoveel woorden koppelt aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg, de bewaker van fundamentele beginselen als het recht op een eerlijk proces.

Met de belangrijke studie Complex Cases is de cirkel gesloten. Het Nederlandse Ripolin-systeem staat namelijk onder druk van dit Europese hof. Dit legt meer de nadruk op het debat in de rechtszaal dan op het dossier. Dit heeft al gevolgen gehad voor het royale gebruik van anonieme getuigen in Nederland, maar is ook niet zonder consequenties voor de omgang met deskundigenbewijs. Onze rechters hebben wel erg de neiging dit te behandelen als een variant van het poldermodel. Zo is er in onze traditie weinig animo voor het toelaten van tégendeskundigen in strafzaken. Dat maakt de keuze voor de rechter natuurlijk een stuk moeilijker, zeker bij de collegiale beslissingen die typerend zijn voor onze rechtscultuur. Maar het dwingt ook tot een scherpe motivering van vonnissen. En daarin – of het nu gaat om deskundigen of kroongetuigen – schiet de Nederlandse strafrechtspleging structureel te kort.

Siem Eikelenboom: De genetische vingerafdruk. De waarde van DNA als opsporingsmiddel. L.J.Veen, 272 blz. ƒ39,90 A.B. Hoogenboom: Schaduwen over Van Traa. Vermande, 212 blz. ƒ49,– Marian Husken: Deals met justitie. De inside story van infiltranten en kroongetuigen. Meulenhoff, 304 blz. ƒ36,50 M. Malsch en J.F. Nijboer (red.): Complex cases. Perspectives on the Netherlands Criminal Justice System. Thela-Thesis, 256 blz. ƒ110,- Peter J.P. Tak (red.): Heimelijke opsporing in de Europese Unie. De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie. Intersentia, 838 blz. ƒ295,-