Congres gesterkt in mening over Iran

`Elementen van de Iraanse regering' zaten achter de aanslag op een Amerikaanse militaire installatie bij Dhahran, Saoedi-Arabië, in 1996. Het bevestigt de anti-Iraanse stemming in het Congres.

De vaststelling van de Amerikaanse justitiële autoriteiten dat ,,elementen van de Iraanse regering'' verantwoordelijk zijn voor de aanslag op een Amerikaanse militaire installatie in Saoedi-Arabië in 1996 is slecht nieuws voor het Amerikaanse bedrijfsleven. Dat oefent druk uit op regering en Congres om de economische sancties tegen Iran te versoepelen die de Amerikaanse ondernemingen nu uit het gebied weghouden. Maar zo'n versoepeling, waar de regering van president Bush ook wel oren naar leek te hebben, is nu voorlopig helemaal ondenkbaar.

Het bedrijfsleven ziet met lede ogen aan hoe Europese en Aziatische concurrenten vrij baan hebben in het belangrijke olieland. De Amerikaanse regering heeft het tot dusverre niet aangedurfd om strafmaatregelen te nemen tegen buitenlandse maatschappijen hoewel de uit 1996 stammende Iran-Libië Sanctiewet haar daartoe machtigt. Shell, het Franse TotalFinaElf, het Italiaanse ENI en andere grote ondernemingen hebben de laatste jaren dus straffeloos goede zaken gedaan met de Islamitische Republiek.

De stemming in het Congres was toch al bijzonder anti-Iraans, zo bleek eens temeer uit het debat rond de verlenging van de sanctiewet, die in augustus afloopt. De regering-Bush bepleitte een verlenging van de wet met twee jaar om de handen vrij te hebben voor een eventuele toenadering tot Iran, waar de hervormingsgezinde Mohammad Khatami zojuist met een enorme meerderheid als president is herkozen. Maar de commissie voor internationale relaties van het Huis van Afgevaardigden besloot afgelopen woensdag met 41 tegen 3 stemmen de wet met opnieuw vijf jaar te verlengen.

Afgevaardigde Ron Paul stelde dat de ,,arrogante, autoritaire benadering'' van Iran door de VS ,,het radicalisme dat we in de wereld aantreffen letterlijk aanmoedigt en stimuleert''. Hij meende dat gematigde elementen ,,mogelijk in onze richting zullen komen als we niet zo grof ons vermogen zouden tonen om onze zin door te drijven''. Maar zijn collega Gary Ackerman betoogde dat een dialoog met Iran zoiets was als een discussie met Hitler of Timothy McVeigh, die zojuist is terechtgesteld wegens de dood van 170 Amerikanen bij een bomaanslag in Oklahoma in 1995. Dat standpunt won het gemakkelijk – wegens de overtuiging onder de afgevaardigden dat de Islamitische Republiek een bedreiging is, voor de VS en ook voor Israël, dat in het Congres talrijke bondgenoten heeft.

De uitspraak van de Amerikaanse minister van Justitie, John Ashcroft, dat ,,elementen van de Iraanse regering'' de extremistische Saoedische Hezbollah hadden ,,geïnspireerd, gesteund en geleid'' in de voorbereiding en uitvoering van de aanslag in Dhahran in 1996, lijkt die Congresleden gelijk te geven. En zo zullen zij het zelf zonder twijfel ook zien. Maar de toestand in de Islamitische Republiek, die een bewijsbaar terroristisch verleden heeft, is sindsdien ingrijpend veranderd door de opkomst van de hervormingsbeweging.

Khatami, die in 1997 voor een eerste termijn als president werd gekozen, heeft juist zijn uiterste best gedaan om het imago van Iran te verbeteren en zo zijn internationale isolement te doorbreken. Zijn conservatieve tegenstanders, die toch hun uiterste best doen om hem dwars te zitten en in wier gelederen ook de inspirators van eerder terroristisch geweld te vinden zijn, hebben het tot dusverre niet gewaagd naar het wapen van de terroristische aanslag te grijpen. Maar dat hoeven zij eigenlijk ook niet zolang in het Congres de overtuiging standhoudt dat Iran een schurkenstaat is.