Bonen met bonen, met bonen

Omdat er veel eetbare planten zijn, bestaan er ook veel eetbare zaden. Die noemen we voor het gemak erwten en bonen. Er zijn zoveel bonen dat ze zelfs in een spreekwoord terecht zijn gekomen: Honger maakt rauwe bonen zoet. Dat is niet helemaal waar; met spreekwoorden moet je oppassen. Met bonen niet.

Bonen worden pas echt lekker als je ze kookt en zelf een beetje zoet maakt. Niet met suiker maar met ui. Gewone ui, ook niet rauw maar gebakken. De hitte van het vuur haalt de scherpe smaak uit de ui en brengt daar een zoete smaak voor terug.

Omdat er zoveel bonen bestaan eten we drie soorten bonen tegelijk. Koop eerst een grote witte ui. Schillen en kleinsnijden. Bakken in boter.

Niet bruin laten worden. Nu de bonen. Om te beginnen linzen, die ken je wel. Twee handen groene linzen opzetten met koud water (zonder zout) en laten koken. Tot ze zacht zijn en een prettige smaak hebben.

Water eraf gieten en met koud water afspoelen. Van een stuk of twintig van de lange dunne groene bonen die ze haricots verts noemen, voor en achterste puntje afsnijden en in heel heet water gaar koken. Hetzelfde doen met een hand platte peulen.

Alle bonen, zonder het kookwater, met elkaar vermengen en zout en peper erdoor doen en ook de gebakken uien met de gesmolten boter. Bijna klaar. Er ontbreekt nog iets. Bij bonen hoort een kruid. Dat heet natuurlijk bonenkruid. Beetje fijngeknipt bonenkruid erdoor mengen.

In Frankrijk noemen ze bonenkruid ook wel ezelpeper. Vreemd. Zou dat met een spreekwoord te maken hebben?