Het nieuws van 22 juni 2001

Het wegen van de ziel

De ziel bestaat. En hij heeft nog een bepaald gewicht ook. Dat werd mij voorgehouden, in alle ernst, en nog niet eens zo lang geleden: middelbare school, midden jaren zeventig, door een godsdienstleraar die geloof en wetenschap graag met elkaar wilde verbinden. Hij vertelde over onderzoek dat was verricht bij stervenden. Er was van alles gemeten. Bij het systematisch aflezen van de weegschaalmetertjes was de geleerden gebleken dat overleden mensen, onmiddellijk na het uitblazen van de laatste adem, nog iets anders kwijtraakten. Maar wat? Veel woog het niet, en je had er precieze apparatuur voor nodig – maar het was duidelijk dat er op dat moment iets verdween. Na het afstrepen van allerlei medische mogelijkheden bleef er maar één plausibele verklaring over: dit moest wel de ziel zijn. Die verliet immers zoals bekend onmiddellijk na het intreden van de dood het lichaam om ergens naar boven te fladderen. De metertjes hadden hem voorbij zien komen. De leraar haalde voor de vorm nog wel zijn schouders op, om aan te geven dat hij het ook niet helemaal zeker wist, maar de licht triomfantelijke blik in zijn ogen verried dat hij het maar wat graag wilde geloven: het bestaan van de ziel nu eindelijk wetenschappelijk bewezen, en ook maar meteen gevangen in grammen en kubieke milliliters. Ik geloof niet dat ik het toen geloofde, en ik heb er daarna ook nooit meer iets over gelezen in de vakbladen, maar ik heb het geval wel altijd onthouden: omdat het natuurlijk wel iets had, zo'n poging om iets onmeetbaars toch te willen meten. Als hier al iets bewezen werd, dan niet zozeer het bestaan van de ziel, als wel de kracht van de wens om er in te geloven.

Het wegen van de ziel

De ziel bestaat. En hij heeft nog een bepaald gewicht ook. Dat werd mij voorgehouden, in alle ernst, en nog niet eens zo lang geleden: middelbare school, midden jaren zeventig, door een godsdienstleraar die geloof en wetenschap graag met elkaar wilde verbinden. Hij vertelde over onderzoek dat was verricht bij stervenden. Er was van alles gemeten. Bij het systematisch aflezen van de weegschaalmetertjes was de geleerden gebleken dat overleden mensen, onmiddellijk na het uitblazen van de laatste adem, nog iets anders kwijtraakten. Maar wat? Veel woog het niet, en je had er precieze apparatuur voor nodig – maar het was duidelijk dat er op dat moment iets verdween. Na het afstrepen van allerlei medische mogelijkheden bleef er maar één plausibele verklaring over: dit moest wel de ziel zijn. Die verliet immers zoals bekend onmiddellijk na het intreden van de dood het lichaam om ergens naar boven te fladderen. De metertjes hadden hem voorbij zien komen. De leraar haalde voor de vorm nog wel zijn schouders op, om aan te geven dat hij het ook niet helemaal zeker wist, maar de licht triomfantelijke blik in zijn ogen verried dat hij het maar wat graag wilde geloven: het bestaan van de ziel nu eindelijk wetenschappelijk bewezen, en ook maar meteen gevangen in grammen en kubieke milliliters. Ik geloof niet dat ik het toen geloofde, en ik heb er daarna ook nooit meer iets over gelezen in de vakbladen, maar ik heb het geval wel altijd onthouden: omdat het natuurlijk wel iets had, zo'n poging om iets onmeetbaars toch te willen meten. Als hier al iets bewezen werd, dan niet zozeer het bestaan van de ziel, als wel de kracht van de wens om er in te geloven.