Vrijheid in gevangenschap

Langs het kanaal loopt een man met een kruiwagen en een hooivork. Op zijn rechterarm is een draak getatoeëerd. Hij heeft nog een halfuur te gaan voordat zijn dagelijkse portie vrijheid erop zit en hij weer terug moet naar de gevangenis. ,,Het is daar als in Center Parcs'', zegt hij. ,,We zitten er in losse huisjes op het terrein en kunnen doen wat we willen.''

De man met de draak is een steunfraudeur. ,,Elf jaar lang is het me gelukt'', zegt hij met een ondeugende blik over de gouden jaren, waarin hij een baan had en zijn vrouw een uitkering. Maar door verraad kwam alles uit. Hij werd gearresteerd en veroordeeld tot een halfjaar gevangenisstraf. De helft daarvan zit er nu op.

In het gevangenisdorp Veenhuizen is een verblijf voor gestraften als de man met de draak niet echt een kwelling, omdat ze na drie maanden goed gedrag buiten het prikkeldraad mogen werken. En als het daar ook goed gaat, mogen ze de laatste maanden van hun straf in het weekend met verlof naar huis. De man met de draak geniet dan ook zichtbaar van zijn taak bij de `plantsoendienst'. ,,Een beter leven kun je niet hebben'', zegt hij trots. Vervolgens maakt hij een praatje met een collega die op een motormaaier komt aanrijden en zwaait hij naar een andere gedetineerde die een vrachtwagen bestuurt.

Die vrijheid in gevangenschap is in Veenhuizen een traditie, daterend uit het begin van de negentiende eeuw. In 1818 kreeg generaal Johannes van den Bosch – door koning Willem I belast met het (op)voeden van de volksmassa's – toestemming voor de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid, een niet-gouvernementele organisatie voor het bestieren van landbouwkolonies op de Drentse heide. Het was een uniek experiment, waarbij stedelijke armen door middel van de ontginning van heide- en veengronden moesten worden `verheven' tot `betere' mensen, dat wil zeggen tot veldarbeiders en kleine boeren die in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. Op die manier hoopte Van den Bosch binnen een paar jaar een eind te maken aan het armoedeprobleem.

Tussen 1818 en 1820 werden drie kolonies geopend: Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord. Deze kolonies waren aanvankelijk een succes. Alleen vielen de verwachte financiële bijdragen van de burgerij tegen. Daarom werden gemeente- en armenbesturen in staat gesteld om voor vijfentwintig gulden per jaar een gezin in een van de kolonies te plaatsen. Het kwam erop neer dat vooral de lastigste armen naar Drenthe werden gestuurd. Het is alsof je vandaag de dag alle junks, bedelaars en Marokkaanse en Antilliaanse probleemjongeren van Amsterdam op de trein naar Drenthe zou zetten in de veronderstelling daarmee van alle problemen verlost te zijn.

Toen in 1820 de voedselprijzen daalden, nam de armoede af en verloren de landbouwkolonies aan populariteit. Toch kocht de Maatschappij twee jaar later 3.000 ha grond aan rond de kleine buurtschap Veenhuizen. Hier werden drie grote, carré-vormige gestichten neergezet. Aanvankelijk boden ze onderdak aan 4.000 vondelingen, verlaten kinderen en wezen, en vervolgens aan landlopers en dronkaards. Officieel werden ze `verpleegden' genoemd.

Ook hier verliep de ontginning van de heide- en veengronden voorspoedig. De `verpleegden' bouwden zo'n twintig boerderijen en legden een vaart naar Assen en Meppel aan voor de aan- en afvoer van bouwmaterialen. Er verrezen nu ook dienstwoningen, een bakkerij, een katholieke en een protestante kerk, een ziekenhuis, een synagoge, een school, een korenmolen en een stoomspinnerij.

In de lommerrijke lanen van het dorp herinneren de gevelopschriften van de ruim twintig dienstwoningen nog altijd aan het hoogdravende idealisme van die dagen: Leering door Voorbeeld, Orde en Tucht, Ontwikkeling, Arbeid is Zegen, Kennis is Macht, Werk en Bid, Werken is Leven, Een van Zin, Vrede en Recht.

In de bouwstijl van die huizen bestaat een duidelijke hiërarchie, al woont er tegenwoordig vrijwel geen gevangenispersoneel meer. Zo resideerde de hoofddirecteur van Veenhuizen vroeger in het landhuis Klein Soestdijk – zo genoemd wegens de zijvleugels en de riante tuin – en woonde de adjunct-directeur in de villa Ruimzicht (van het woningtype VII, bestemd voor de hoogste functionarissen). Bij de huizen van de directieleden stond ter onderscheid van minderen in rang een bruine beuk in de tuin.

Die rangen en standen vind je ook terug op de begraafplaats, waar de notabele doden afgezonderd liggen van de `verpleegden', die op hun beurt weer van elkaar gescheiden zijn voor zover ze katholiek of protestant zijn.

Veenhuizen was in de negentiende eeuw een dorp dat zijn gelijke dan ook niet kende. De `verpleegden' en de opzieners waren de enige inwoners. Bovendien heerste er een strenge tucht. Overtredingen als dronkenschap, diefstal, vechtpartijen en buitenechtelijke zwangerschap werden streng bestraft.

Omstreeks 1860 werd de Maatschappij overgenomen door de staat, omdat die de opvang van landlopers beter leek te kunnen regelen dan een particuliere instelling. De bedelaars, landlopers en dronkelappen mochten in de nu volgende jaren behalve op het land ook in het dorp werken als kapper, badmeester, huisbediende, melk-, tuin-, timmer- of brandweerman.

In 1994 kwam het dorp nog kortstondig in het nieuws toen een experiment werd gestart met het veelgekritiseerde `Lubbers-Kampement', een jeugdwerkinrichting die inmiddels ter ziele is. Tegenwoordig is Veenhuizen een gewone gevangenis, met open en gesloten afdelingen. Pas als je door de groene lanen wandelt en je het hele complex op je in laat werken, besef je dat het dorp ook nog een indrukwekkend monument voor de sociale en penitentiaire geschiedenis van Nederland is, waarin paternalistisch Verlichtingsdenken de boventoon voert. De man met de draak zal het allemaal niets kunnen schelen. Voor hem geldt alleen dat de afgelopen maanden de zwaarste beproeving uit zijn leven waren. ,,In het begin dacht ik dat ik gek werd'', zegt hij. ,,Je weet tenslotte niet met wat voor een mensen je ineens te maken hebt. Maar nu is het gelukkig bijna voorbij.''