Paleis zonder knaapjes

Een beetje teleurgesteld zakken we neer op de rand van het bed. Wat een krap kamertje. Het bed past er nauwelijks in. Een bedtafeltje is weggehaald en dan nog kan de deur niet helemaal open. Het blad van het overgebleven tafeltje is zo klein dat de telefoon op de grond, naast het bed, moet staan. Bovenop een smalle kast een televisie, meer is er niet. De twee doodgeslagen muggen op de schuin oplopende wand voelen de sfeer goed aan.

We hadden meer verwacht van Hotel Paleis Het Stadhouderlijk Hof. Het kind in mijn reisgenoot was al wakker geworden. ,,Gaan we in een paleis slapen? Ik heb nog nooit in een paleis geslapen!'' En de Afsluitdijk zagen we als een lange oprijlaan.

In Leeuwarden is vanaf de hoek van de straat het hotel al van ver herkenbaar aan de opulente vanen en kleurige zonneschermen. Voor het hotel staat passend, maar wat kleintjes, de eerste Friese stadhouder Willem Lodewijk in brons vereeuwigd en vlakbij is de Wilhelminaboom met een met appeltjes van oranje versierd hekwerk.

Ook de entree wekt verwachtingen. In de hal staat de stoel die voor de dertienjarige stadhouder Willem IV is gemaakt om de vergadering van de Friese Staten bij te wonen. Op weg naar onze kamer hebben we een blik geworpen in dan wel niet helemaal authentieke maar toch sfeervolle ruimtes als de Nassauzaal, die nu als trouwzaal fungeert. We liepen door de mooie nieuwbouwserre aan de tuin en langs de royal living met tijdschriften, cd's en een gemeenschappelijke minibar. Al verbaasde het ons wel dat de doorkijkjes naar de tuin belemmerd werden door provisorisch voor de ramen opgeslagen tuingereedschap en dat in de gangen her en der wat stapeltjes folders en bladen rondslingerden. We zagen de beloftevolle namen van de kamers ontleend aan de vroegere bewoners van het voormalige stadhouderlijke paleis als Anna van Hannover en Willem Lodewijk. We doorkruisten een prachtig trappenhuis. En in de folder hadden we toch echt op een foto een hotelkamer van stadhouderlijke allure gezien.

Geen wonder dat we nu bedremmeld op de rand van het bed zitten. Er is niet eens een stoel. En dat voor een prijs van iets meer dan tweehonderd gulden per nacht exclusief ontbijt. Een champagneontbijt, dat wel.

Op zoek naar een plaats om mijn jas op te hangen maak ik een nog niet eerder opgemerkte deur in het halletje open. En daarachter blijkt zich een zee van ruimte te bevinden. Met oplevend enthousiasme gaan we op verkenning uit. Het is een complete woonkamer, uitgevoerd in verschillende lavendelblauwachtige tinten. Er is een bank met twee fauteuils, een eettafel met twee stoelen, nog een televisie en minikeuken, met kookpit, een tafelmodelkoelkast en een magnetron.

In een reclamefolder geeft de directeur hoog op van de kwaliteiten van zijn hotel. Het Stadhouderlijk Hof heeft onmiskenbaar zijn charmes, van een ambiance met historische betekenis tot een buitengewoon vriendelijk onthaal en de schaal Wilhelminapepermunt bij de receptie. Toch zou zo'n directeur gewoon eens een nachtje in zijn eigen hotel moeten slapen. Hij zou merken dat er geen goede plaats is om de jassen op te hangen, dat er te weinig fatsoenlijke kleerhangers zijn, dat er geen voor de hand liggende bergruimte voor de koffers is, dat het bankje na een half uur televisiekijken wel heel ongemakkelijk zit, dat een werkblad node wordt gemist, dat er twee televisies zijn en maar één afstandsbediening, dat de lege koelkast de hele nacht door luidruchtig aan- en uitspringt, dat de keukenuitrusting merkwaardig beperkt is – wat moet je met slechts één steelpan, een theedoek en een fles afwasmiddel? – dat het niet mogelijk is uit het rechterbed te komen zonder je slaappartner wakker te maken en zonder het hoofd dan wel de schenen te stoten, dat het onaangenaam is in het linker bed nog wat te lezen, dat in de zitkamer de verlichting wel erg ongezellig fel is en dat er desondanks geen goed verlichte leesplek is, dat het openzetten van het raam een lastige puzzel is, dat op een van de bedden het onderlaken ontbreekt en dat het licht van boven in de badkamer noopt tot op de tast scheren. Elk op zichzelf zijn het geen onoverkomelijke bezwaren, maar alles bij elkaar begint het na een paar uur verblijf danig te irriteren. Gelukkig is de kamer rustig en wie slaapt kan de ongemakken wegdromen.

Voor het champagneontbijt van ƒ27,50 per persoon spoeden we ons de volgende ochtend naar de hofkelder. Waarom eigenlijk niet in de serre, dat lijkt op het oog een aantrekkelijker ontbijtlocatie? De lakeien staan niet in groten getale te trappelen om ons van dienst te zijn. We zoeken onze eigen weg onder de gewelven en ontdekken een alleszins vorstelijk ontbijtbuffet met een keur aan ontbijtgerechten. Waaraan ook een bak groene sla een bijdrage levert. De sfeer in de kelder houdt het midden tussen een steakrestaurant en een feestcafé. De Vlaamse eikenhouten stoelen met klassiek beklede zitting en rugleuning doen weer denken aan grafelijke zalen.

Hier moet een postmodern concept achter zitten. Moessorgski klinkt uit een gettoblaster en de koffie komt uit typische vergaderzaalkannen. En de champagne is gewone belletjeswijn.