Nationale soevereiniteit verlamt Europese politiek

Europa heeft dringend behoefte aan een verhelderend debat, maar de Europeanen schijnen er emotioneel nog niet aan toe te zijn om te worden wat ze zijn, namelijk Europeanen. De lidstaten van de Europese Unie proberen nog te veel hun nationale doelen te verwezenlijken, vindt Dominique Moïsi.

Onlangs ontvouwde de Franse premier Lionel Jospin zijn langverwachte visie op Europa. Wat hij zei was waarschijnlijk het maximum dat kon worden verwacht van een socialistische `bijna-kandidaat' voor de presidentsverkiezingen van volgend jaar. Hij bewees zelfs meer dan minimale lippendienst aan de Europese zaak en zijn commentaar behelsde meer dan een simpele verwerping van de federalistische visie van Schröders Duitsland of de in wezen `liberale' economische filosofie van Blairs Engeland. Want in de kern bleef Jospins visie op de toekomst van Europa als `federatie van nationale staten' – een term die hij ontleende aan Jacques Delors, de gewezen Franse voorzitter van de Europese Commissie, en die vorig jaar al werd gebruikt door Joschka Fischer in zijn toespraak in Berlijn – constructief, positief maar doelbewust tweeslachtig.

In de beginjaren van de Unie, in de jaren vijftig en zestig, toen ze nog Europese Economische Gemeenschap heette, maakte ze een proces door dat werd omschreven als `overloop' en waarbij de verborgen nationale politieke agenda achter de voortgaande economische samenwerking en eenwording aan kwam. Tegenwoordig, en dat mag als een verbetering worden beschouwd, wordt de verborgen agenda gemaskeerd door codewoorden die zo tweeslachtig zijn dat ze een consensus mogelijk maken die anders onbereikbaar zou zijn. De verdeeldheid onder de Unie-leden over Europese zaken zit diep en gaat uit boven elk klassiek idee van `links' en `rechts'. En de druk van de verkiezingsprogramma's is dusdanig dat iedereen vrede met die werkwijze heeft.

We mogen ons ,,Europeaan voelen'', zoals Lionel Jospin in zijn toespraak zei, maar we ,,handelen nationaal'', en de grootste zorg van de Europese politici lijkt niet zozeer om het debat over Europa te bevorderen als wel om te voorkomen dat ze stemmen verliezen als ze al te duidelijk maken waar het met Europa mogelijk naartoe gaat. De grote nadruk die in de lidstaten van de Europese Unie wordt gelegd op het verwezenlijken van nationale belangen, heeft zo een negatieve uitwerking op de toekomst van Europa en de democratische zaak. Ondanks de euro, die over een paar maanden een echte munt en geen denkbeeldige meer zal zijn, ondanks het effect van de mondialisering op de betekenis van soevereiniteit, schijnt het merendeel van de Europeanen – dat geloven de politici tenminste – niet klaar te zijn voor de fundamentele politieke uitdaging om macht en legitimiteit te verzoenen.

In het huidige Europa hebben de mensen met groeiende macht in de Brusselse Commissie weinig legitimiteit. En de mensen die legitimiteit bezitten in de vijftien hoofdsteden van de Unie hebben steeds minder macht in een steeds gecompliceerder en onderling afhankelijker wereld, en binnen een Unie die althans in monetaire zin federaal wordt. Deze tweeslachtige werkelijkheid is op de lange duur onontkoombaar maar ook onhoudbaar.

EU-lidstaten hebben tot nu toe de Europese eenwording steeds verder gebracht via het behartigen van hun eigen nationale belangen. Elke staat had iets unieks aan te bieden. De Fransen droegen bijvoorbeeld hun postkoloniale banden met het Afrikaanse continent bij, de Engelsen hun bijzondere verhouding met de Verenigde Staten, de Spanjaarden hun wisselwerking met het Zuid-Amerikaanse continent. Maar als het Europa nu ernst is een gezamenlijk externe identiteit te scheppen, dan moeten ze een deel van hun `uniekheid' opofferen. Dat is een moeilijke maar wel noodzakelijke exercitie, willen de Europese vertegenwoordigers op het terrein van het buitenlands beleid dezelfde geloofwaardigheid en dezelfde invloed krijgen als bijvoorbeeld op het terrein van de handel en de concurrentie.

Zo'n Copernicaanse revolutie zou natuurlijk inhouden dat de Europeanen meer verwachten van hun eensgezinde optreden dan van hun individuele inspanningen en dat Europa meer kan zijn dan de grootste gemene deler. Heeft Frankrijk Afrika aan Europa `bijgedragen', dat wil zeggen Europa de gelegenheid geboden een Afrikaanse rol te spelen, of heeft het zich juist via een soort boemerangeffect op verschillende niveaus laten corrumperen door corrupte praktijken? Engeland heeft zich veel te lang bezondigd aan de waan dat zijn bijzondere relatie met de Verenigde Staten op de lange duur de sleutel van zijn internationale status zou vormen. En wat kan in het tijdperk na de Koude Oorlog nog de zin van neutraliteit voor Zweden of Oostenrijk zijn?

Positief gezien betekent de opoffering van een deel van het verschil dat elk land meer gewicht krijgt, want alleen een verenigd Europa zal door de Verenigde Staten of China serieus worden genomen. Europa moet zich niet verbeelden dat het bijvoorbeeld veel kan bereiken met zijn politiek en moreel dubieuze initiatief voor Noord-Korea. Noch moet de EU haar geloofwaardigheid ondermijnen door te falen bij het nastreven van mensenrechten en gerechtigheid op de Balkan en in het Midden-Oosten. Geloofwaardigheid op de Balkan wil zeggen dat in naam van de gerechtigheid oorlogsmisdadigers worden aangehouden, samen met de extreme nationalisten die met hun onverantwoordelijke gedrag de broze stabiliteit in gevaar brengen die zonder hen te bereiken was geweest. Geloofwaardigheid in het Midden-Oosten wil zeggen dat de gematigden uit beide kampen hartstochtelijk worden gesteund en dat tegen Palestijnen en Israëliërs economische sancties worden getroffen als ze volharden in hun zelfmoordgedrag. Een beperking van de toegang tot de Unie voor Israëlische producten als de bouw van nederzettingen blijft doorgaan, beknotting van de hulp aan de Palestijnse autoriteiten als die stelselmatig het gebruik van geweld en rassenhaat goedkeuren.

Voor Europa vereist de verwezenlijking van die doelstellingen niet alleen een politieke wil die er misschien niet is, maar ook de vaststelling van een gedragscode, een soort handvest voor het buitenlands beleid, met behulp waarvan de Unie haar `waarden en ambities' in concreet buitenlands beleid zou kunnen vertalen. We zijn er nog niet, om het zacht uit te drukken.

De paradox van dit moment is dat het land met de helderste visie op de rol die Europa in de wereld zou moeten spelen, Frankrijk, geen duidelijke visie op de institutionele toekomst van Europa heeft. En het land met de helderste en meest gedurfde visie op Europa, Duitsland, heeft amper een visie op rol van Europa in de wereld. Eigenlijk gaat de Franse opvatting van een sterk Europa in een veelpolige wereld al uit van het federale Europa dat Duitsland voor ogen heeft. En hoe centraler Duitsland voor Europa wordt, hoe meer de Fransen zich als toegewijde Europeanen zullen moeten gedragen. Maar de meeste Europeanen, misschien met uitzondering van de Duitsers – en voor hen is het gemakkelijker, want zij bieden Europa hun gedecentraliseerde model aan en zij zijn door hun tragische historie doordrongen van de beperkingen van nationale belangen die tot het uiterste worden nagestreefd – zijn niet bereid de nationale politieke prijs te betalen van de collectieve ambitie die ze uitspreken.

Het buitenlands beleid is nationale soevereiniteit in actie. Maar op Europees niveau is het er de beste illustratie van hoe collectieve verlamming tot onvermogen leidt.

Dominique Moïsi is adjunct-directeur van het IFRI, het Franse Instituut voor Internatonale Betrekkingen in Parijs en hoofdredacteur van Politique Étrangère.