Idi Amin van vrolijk naar grimmig

Hij zou zijn tegenstanders aan de krokodillen hebben gevoerd, en zelf ook wel eens een hapje hebben meegegeten. Hij vermoordde 350.000 mensen en gaf kleedadviezen aan de Britse koningin Elisabeth. Dictator Idi Amin Dada, die in de jaren zeventig een schrikbewind voerde over Oeganda, was naast een wrede moordenaar ook een charmante showman met een groot gevoel voor humor. ,,Everything he did, he did for show,'' zei de Oegandese schrijver Charles Mulekwa. Daarmee is Amin een dankbaar onderwerp voor een toneelstuk. Op het Amsterdam Roots Festival ging gisteren Big Dada: The Rise and Fall of Idi Amin in wereldpremière.

Big Dada is een verrassend swingende en komische muzikale show van de Zuid-Afrikaanse regisseur Brett Bailey en zijn groep Third World Bunfight. Het eenvoudige decor bestaat voornamelijk uit kleurige doeken. De groep van elf acteurs speelt clownesk, danst veelvuldig, en zingt meerstemmig Zuid-Afrikaanse populaire liedjes. Middelpunt is de uitstekende zwaargewicht-acteur Sello Sebotsane die Amin speelt als een goedlachse, olijkerd die overal een feestje van maakt. We zien Amin zijn inaugurele rede houden, hem vergaderen met zijn ministers, en hem afrekenen met een opperrechter en een aartsbisschop.

De botsing tussen de vrolijke vorm en het zware onderwerp massamoord geven een merkwaardige spanning aan het toneelstuk. Zou zoiets met een Europees onderwerp mogelijk zijn? Een musical over Srebrenica? Waarschijnlijk niet. Op sommige momenten doet Big Dada denken aan Springtime for Hitler, de onwaarschijnlijke musical uit de Mel Brooks-film The Producers.

Om toch nog extra duidelijk te maken dat we hier niet bij een show, maar bij politiek toneel zitten, worden de scènes aan elkaar gepraat door een serieuze verteller die voor het zilveren gordijn het verhaal voorziet van een historisch verband. De verhandeling geeft enig noodzakelijk gewicht, maar de strenge verteller haalt wel de vaart uit de show. Net als we een beetje genoeg van hem krijgen, trekt Amin hem op het podium, slaat hem in elkaar, en bindt hem met een doek voor zijn mond op een martelstoel.

Mocht het overwegend blanke publiek nog denken dat Amin slechts een Afrikaanse uitwas is, een gevaarlijk gek, dan helpt de verteller ons uit de droom. Streng toont hij aan dat westerse landen dictators als Amin zelf op de troon helpen, en dat de oud-kolonialen blijvend schuldig zijn aan de verziekte verhoudingen in Afrika. Treffend is een scène waarin Amin met een boodschappentas van Harrod's gaat winkelen bij de Engelsen, de Libiërs, en de Israeliërs, gespeeld door zwarte acteurs met een witte panty over hun hoofd. Iedereen geeft hem geld, steun, en raketjes.

Na de pauze neemt de vrolijkheid af. Naarmate Amin wegzakt in het isolement van de waanzin, wordt de show steeds grimmiger en surrealistischer. Amin dwaalt rond verkleed als bokser, met oorlogskleuren op zijn gezicht. Er vallen steeds meer slachtoffers. Big Dada eindigt met een paar rauwe beelden die op de rand van smakeloosheid zitten: Amin draagt een wit abattoirschort en heeft een slachtoffer in pietà-houding op schoot. Met een mes snijdt hij stukjes vlees af en peuzelt ze op. En daarna: Amin die op een podium bezaaid met lijken My Way zingt. Door de merkwaardige context krijgt Sinatra's evergreen een hele andere kleur: ,,But after all, when there was doubt/ I ate it up and spit it out.'' Over the top is dit zeker, maar daar leent het onderwerp zich ook voor.

Voorstelling: Big Dada: the Rise and Fall of Idi Amin door Third World Bunfight. Regie: Brett Bailey. Gezien op het Amsterdam Roots Festival, 20/6 Tropeninstituut Theater. Aldaar t/m 23/6. Inl. (020) 568 8500 of www. kit.nl.