Eerste Kamer 2

De Eerste Kamer trekt de aandacht als zij te veel doet en als zij te weinig doet, als zij politieke moed toont door het coalitie-monisme te doorbreken en als zij juist te veel in de pas van dat monisme loopt; wanneer zij haar afstandelijkheid illustreert in het bieden van heroverweging, herkansing of herijking, maar ook als zij polariseert. Mr. F. de Vries biedt in zijn vorig jaar verschenen proefschrift De staatsrechtelijke positie van de Eerste Kamer goed zicht op het functioneren van deze Kamer. Met andere schrijvers illustreert hij de toegevoegde waarde van de Eerste Kamer in wetsvoorstellen die werden verworpen of (tijdelijk) ingetrokken, in novelles van zowel juridisch-technische als inhoudelijke aard en in substantiële toezeggingen die tijdens het debat aan de bewindspersoon zijn ontlokt. Nog onzichtbaarder voor de snelle pers en het publiek lijkt echter het type invloed dat te herleiden is tot een instrumenteel maar vooral ook tot conceptueel gebruik van analyse, interpretatie en inzichten die tijdens de debatten te berde zijn gebracht. De daar gegeven beschouwingen sijpelen door in de beeld- en oordeelsvorming in het openbaar bestuur en de rechterlijke macht.

Structuur en functioneren van de Eerste Kamer werden in de afgelopen weken kritisch besproken en een enkele maal werd het accent gelegd waar het voor een belangrijk deel thuishoort: bij de culturele aspecten. Die cultuur, zozeer sprekend uit de formele rolopvatting van het instituut zelf en van de ambtsopvattingen van haar leden, is cruciaal voor haar effectiviteit. In een Hoog College van Staat mag van de leden een even `hoge' ambtsopvatting worden verwacht. Niet alleen ondersteunt die rolopvatting het feitelijk functioneren, maar tevens haar legitimiteit.

Hoe men het functioneren van de Eerste Kamer ook wenst te beoordelen, ten aanzien van de normatieve uitgangspunten dient allereerst helderheid en een zekere consensus te worden gevonden. Daarvoor zijn waardevolle aanknopingspunten te vinden in de rapporten van vele eerdere commissies die zich over de Eerste Kamer hebben uitgesproken.

Intussen discussieert de Eerste Kamer met de regering die naar aanleiding van de `Nacht van Wiegel' de notitie Reflecties over de positie van de Eerste Kamer presenteerde, waarin wordt nagedacht over mogelijkheden het vetorecht van die Kamer te beknotten. Bij gebrek aan een amendementsrecht en als vervanging van het `verkapte amendementsrecht' van de novelle, worden daarin alternatieven gezocht in een terugzendplicht. De probleemanalyse is nog onvoldragen waar ze vooral cijfers biedt inzake de bemoeienis van de Eerste Kamer, cijfers die overigens bezwaarlijk gezien kunnen worden als indicatief voor een structureel conflictueuze verhouding met de Tweede Kamer.