Eerste Kamer 1

Volgens de krant van 13 juni zouden de Tweede-Kamerleden Rehwinkel en Scheltema de Eerste Kamer verwijten dat zij te veel tijd neemt om haar eigen rol en positie onder de loep te nemen. De feiten logenstraffen dit verwijt.

18 januari 2000: De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) zendt zijn notitie Reflecties over de positie van de Eerste Kamer aan beide Kamers toe.

8 juni 2000: De Eerste Kamer brengt verslag uit.

20 december 2000: De Eerste Kamer ontvangt van de minister van BZK diens nota naar aanleiding van dit verslag. Daarin is een aantal vragen van de Kamer niet beantwoord, omdat daarvoor een nader onderzoek nodig is, dat met behulp van de griffies van de beide Kamers en het Parlementair Documentatiecentrum wordt uitgevoerd.

29 januari 2001: De Eerste Kamer laat per brief weten de aanvullende beantwoording te willen afwachten.

15 mei 2001: De Eerste Kamer ontvangt van de minister van BZK een aanvulling op de nota naar aanleiding van het verslag.

Op 19 juni a.s. zal de Eerste Kamer inbreng leveren voor een schriftelijk overleg.

Men zou kunnen denken dat de Eerste Kamer eerder dan op 8 juni 2000 verslag had kunnen uitbrengen, maar normaal gesproken reageert eerst de Tweede Kamer en daarna de Eerste. In dit geval nam het even wat tijd voordat duidelijk was dat de Tweede Kamer de behandeling in de Eerste Kamer wilde afwachten. Meestal vergt behandeling van een wetsvoorstel in de Eerste Kamer aanzienlijk minder tijd dan in de Tweede Kamer, vooral omdat veel vragen al beantwoord zijn tijdens de behandeling door de Tweede Kamer. Nu vindt, omdat de Tweede Kamer dat zelf zo wilde, de eerste ronde van de gedachtewisseling tussen regering en Staten-Generaal in de Eerste Kamer plaats.