Alleen binnenshuis moet het nog schoon zijn

Vroeger was Nederland een zindelijke natie met schoongeschrobde stoepjes. Nu is dwarrelend zwerfafval beeldbepalend.

`DE MANIER WAAROP EEN volk met zijn excrementen omgaat, is in velerlei opzicht een criterium voor zijn hele wezen, zijn culturele situatie'', schreef de Duitse hygiënist Friedrich Oesterlen in 1857. Voor de negentiende-eeuwse hygiënisten, een oorspronkelijk Engelse beweging, was het vuil en de stank in de Europese steden in elk geval reden genoeg voor een beschavingsoffensief. De opkomende burgerij diende haar persoonlijke en openbare hygiëne serieuzer ter hand te nemen, vonden zij. Een ordentelijke burger was immers proper. Vuil was de schandvlek van de paupers uit de achterbuurt, van primitieve geesten die de sociale normen niet kenden.

Pas aan het einde van de negentiende eeuw namen gemeentelijke reinigingsdiensten de verwerking van het huisvuil ter hand, maar dat betekende niet het einde van smerige gewoonten. De mestvaalt voor de deur als teken van welstand bleef rustig liggen. De Nederlander boende nijver zijn stoepje, maar bleef zijn vuil ongegeneerd de gracht in smijten – Hollandse zindelijkheid ging ook toen al heel goed samen met milieuvervuiling. Veel mensen bleven gewoon geloven in de beschermende werking van vuil en ongedierte tegen ziekte, ook nadat Louis Pasteur daarin de aanwezigheid van ziekteverwekkende microben had aangetoond. De mens heeft nu eenmaal een merkwaardige relatie tot zijn vuil.

Mensen houden niet van opruimen. Dat was al zo bij de prehistorische mens, die zijn afval liet vallen zodra hij die niet meer nodig had. De vooruitgang heeft aan die gemakzucht weinig kunnen veranderen. Dat blijkt wel uit de onbeschrijflijke rommel die de hedendaagse mens achterlaat na een dagje aan het strand, tijdens popfestivals, grote evenementen of op een gewone doordeweekse dag, wanneer hij zijn vuil langs de snelweg dropt. Een ambtenaar van Rijkswaterstaat deed enige tijd geleden in NRC Handelsblad verslag van wat hij tijdens schoonmaakwerkzaamheden zoal tegenkwam langs de A20. Hij maakte melding van tientallen huisvuilzakken, volgens de betrokkene waren die in de berm gemikt om in een naburige gemeente de zogenaamde `dure zak' niet te hoeven kopen. Dan was er de gebruikelijke rotzooi van blikjes, plastic flesjes, plastic tassen, autobanden, asbest, teer, injectienaalden en bestrijdingsmiddelen, maar ook een zak met koeienkoppen en een lading rotte vis.

Wat kan een overheid doen tegen de achteloze vervuiling van de openbare ruimte? De Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) drong in 1992 nog aan op voorlichting en zachte overreding. Het milieuprobleem was vooral een `gedragsprobleem' dat met meer informatie te lijf moest worden gegaan, aldus de WRR. Maar bij VROM had inmiddels de gedachte postgevat dat aan schuldgevoelens appellerende tv-spotjes niet toereikend zijn. De vervuiler die niet horen wil, moet maar gaan betalen, werd het devies. Dat leidde eerst tot de verwijderingsbijdrage voor autowrakken. Ook de hergebruikkosten van wit- en bruingoed worden tegenwoordig doorberekend in de prijs; soortgelijke afspraken zijn gemaakt met de producenten van batterijen, autobanden, kunststofgevels, oud papier en glas. Onlangs nog kondigde minister Pronk een nieuwe financiële prikkel aan: ook op drinkkartonnen, plastic flesjes en blikjes komt statiegeld.

De vervuiler betaalt al in veel gemeenten. Een kwart van de Nederlandse gemeenten heeft tariefdifferentiatie ingevoerd, die het mogelijk maakt de consument op zijn hoeveelheid vuil af te rekenen. Geavanceerde weegsystemen, pasjes en speciale `dure' zakken moeten de gemeente helpen bij de registratie van de vuilproductie.

Voorstanders van de zogenoemde diftar (gedifferentieerde tarieven) zeggen dat het systeem leidt tot 30 procent minder vuil aan de straat. Maar volgens sceptici komt dat vooral door verbeterde serviceverlening van de reinigingsdiensten, die meer zou uitnodigen tot afvalscheiding. En dan is er nog het afvaltoerisme, waarvan niemand de ware omvang kent. De verhalen die daarover de ronde doen zijn navrant. Mensen rijden kilometers om, teneinde in een naburige gemeente hun vuil gratis te kunnen droppen. Tel uit de milieuwinst.

Toch is het een misvatting te denken dat de Nederlander alleen gevoelig is voor de taal van zijn portemonnee, zegt milieuonderzoeker Ruud Hoevenagel van het Economisch Instituut Midden- en Kleinbedrijf. Als het om afval gaat, laten mensen zich volgens Hoevenagel veel meer leiden door gemakzucht. Nederland staat bekend als een statiegeldlandje: de flessen brengen we braaf terug naar de supermarkt om onze gulden weer te innen, maar de nationale vrekkigheid verklaart volgens Hoevenagel niet het succes van de glasbak. Die is vooral te danken aan de strategische opstelling van de bakken bij de supermarkten. Het is een kleine moeite de flessen even mee te nemen.

Een financiële prikkel werkt alleen als hij voldoende groot is, denkt Hoevenagel. ,,Drie gulden statiegeld op een blikje heeft effect. Een kleine financiële prikkel leidt tot behoud van de heersende gemakzucht en afkoopgedrag. De Nederlander wil namelijk best extra betalen als hij maar kan vervuilen.'' Gesleep met vuilniszakken en ander ontwijkgedrag is van alle tijden, weet Henk van Zon, milieuhistoricus aan de Rijksuniversiteit van Groningen. In Een Zeer Onfrisse Geschiedenis (1986) beschrijft hij het `gescharrel' met het vuil door lokale reinigingsdiensten. De geschiedenis van de Nederlandse afvalverwerking is het verhaal van gemeentelijke autoriteiten die het vuil op de stoep van de buurman proberen kwijt te raken, aldus Van Zon. ,,Amsterdam had zijn afval graag in het Naardermeer gedumpt, als dat niet zo duur was geweest. De dumpingen van de stad in de Volgermeerpolder zijn natuurlijk bekend. Rotterdam hoopte het kwijt te raken aan Gouda en toen we het vuil massaal gingen verbranden, kwam de dioxine-uitstoot volgens de wet van behoud van ellende via de schoorsteen weer op de stoep van de buurman.''

Veel hoop valt er niet te putten uit die wet van behoud van ellende, maar de constatering dat we een stel viespeuken zijn geworden, is volgens Van Zon niet helemaal terecht. ,,We hebben zoveel zwerfvuil, omdat de mensen het binnen netjes willen hebben. In die zin is de Hollandse zindelijkheid overeind gebleven.''

Ook Gert Spaargaren, hoogleraar milieubeleid aan de Katholieke Universiteit Brabant en bewonderaar van de Amsterdamse socioloog Norbert Elias wil geen cultuurpessimist zijn. ,,Ons afvalmanagement is juist een mooie illustratie van de beschavingstheorie van Elias. Doordat wij afval hergebruiken, zijn we er gedifferentieerder over gaan denken. Afval is geen waardeloos vuil meer, maar een waardevolle stof die wij tijdelijk mogen gebruiken. Dat bewustzijn bij sommige mensen mag je zien als een vorm van beschaving.''