Uit den natuur

`Op 't oogenblik is 't park vol spotvogeltjes. Ik bedoel daarmee nu niet lach-grage Amsterdammers, maar heusche vogels met twee vleugels en een behoorlijken, mooien, wetenschappelijken Griekschen naam: Hypolais hypolais'. Aldus Jac. P. Thijsse, in juni 1901, in het Algemeen Handelsblad. Honderd jaar geleden begon de Amsterdamse onderwijzer in deze krant met het schrijven van een serie wekelijkse stukjes over planten en dieren. Het jaar daarop kreeg zijn collega E. Heimans het verzoek om een natuurrubriek te verzorgen voor het weekblad De [Groene] Amsterdammer. Heimans en Thijsse waren niet de eersten met een column over de natuur, maar de beide amateurbiologen trokken met hun originele artikelen wel de aandacht en hun manier van schrijven vond veel navolging.

Halverwege de negentiende eeuw was de belangstelling in Nederland voor de natuur nog vrij gering. Er werd ook nog nauwelijks onderzoek gedaan naar inheemse planten- en diersoorten. Je kunt rustig stellen: de natuur was onbekend en onbemind. Tegen het eind van die eeuw kwam daar echter verandering in en begon de interesse voor de inheemse natuur te groeien. Ook in dag- en weekbladen werd aandacht besteed aan het natuurleven. In het Zondagsblad van Het Nieuws van den Dag verschenen (meestal anonieme) stukjes over veelvoorkomende planten en dieren. Het Algemeen Handelsblad begon in 1900 een serie met de enigszins merkwaardige titel `Amsterdamsche insecten'. Het was kennelijk een onderwerp dat het publiek aansprak, want de entomoloog en Artis-medewerker R.A. Polak kreeg de kans om zeker dertig afleveringen te wijden aan vlooien, motten en hun verwanten.

Jac.P. Thijsse (1865-1945) beperkte zich in zijn stukjes aanvankelijk tot de flora en fauna van het Vondelpark, maar al gauw breidde hij zijn actieradius uit en schreef hij over alles waar hij als natuurliefhebber vol van was. Thijsse haalde zijn stof niet uit boeken, maar baseerde zich steeds op eigen waarnemingen. Hij schreef persoonlijk en openhartig, vol bewondering voor de natuur, maar nooit sentimenteel. Hij overlaadde zijn lezers niet met zwaarwichtige feiten, maar maakte hen nieuwsgierig en inspireerde hen om er zelf op uit te trekken. Hetzelfde gold voor E. Heimans (1861-1914) en de columns die hij schreef voor De Groene.

Heimans en Thijsse deelden hun passie voor de natuur en deden niet voor elkaar onder in kennis en creativiteit. Direct na hun ontmoeting in Amsterdam, eind 1893, waren zij samen begonnen met het schrijven van een serie eenvoudige boekjes over levensgemeenschappen van planten en dieren. De aantrekkelijk uitgegeven boekjes, veelal met illustraties van de auteurs zelf, vielen in de smaak bij jong en oud. Aangespoord door dit succes richtten de onvermoeibare Heimans en Thijsse, samen met hun collega J. Jaspers, een eigen tijdschrift voor `natuursport' op onder de naam De Levende Natuur. Rond dit tijdschrift vormde zich een kring van natuurliefhebbers die in korte tijd snel in omvang toenam.

Thijsse en Heimans waren dus zeker geen onbekenden toen zij door het Handelsblad en De Groene als medewerker gevraagd werden, maar door hun columns nam hun bekendheid aanzienlijk toe. Dat hun werk ook in literaire kring de aandacht trok blijkt uit het feit dat de beide onderwijzers in 1906 werden gekozen tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.

Het succes van hun artikelen had niet alleen te maken met de vaardigheid en het enthousiasme waarmee zij over planten en dieren schreven, maar eveneens met het feit dat zij hun onderwerpen in een breder kader plaatsten en ook maatschappelijke zaken aan de orde stelden. Thijsse hield reeds in 1901 een pleidooi voor de aanleg van een natuurgebied bij Amsterdam omdat hij vond dat de hoofdstedelingen meer gelegenheid moesten krijgen om te wandelen en fietsen. In de jaren daarna legde hij met zijn artikelen de basis voor de plannen die uiteindelijk zouden leiden tot de aanleg van het Amsterdamse Bos (natuurontwikkeling `avant la lettre'). Een ander onderwerp dat Thijsse zeer ter harte ging was de bescherming van vogels en natuurbescherming in het algemeen. In 1904 maakte hij diepe indruk met zijn felle protesten tegen het voorstel van B en W van Amsterdam om het Naardermeer te dempen met huisvuil. Terwijl andere natuurliefhebbers de zaak al als verloren beschouwde, bond Thijsse de strijd aan: ,,Nu geef ik het niet op, voordat de eerste kar met potscherven in 't water plompt.''

Zover kwam het inderdaad niet, het Naardermeer bleef behouden. Het jaar daarop hielp Thijsse mee aan de oprichting van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland. Hij werd de eerste secretaris en schreef vanaf die tijd nog maar af en toe in het Handelsblad. Bovendien had hij het toen al druk met zijn Verkade-albums.

Heimans' stukjes in De Groene verschenen in de rubriek `Uit de natuur'. Tot zijn plotselinge dood, in juli 1914, schreef hij ruim zeshonderd artikelen, vrijwel altijd geïllustreerd, meestal met eigen tekeningen. Evenals Thijsse zat Heimans nooit om stof verlegen. Hij was een scherp waarnemer en de natuur was voor hem een onuitputtelijke bron van inspiratie. Iets uit de duim zuigen was er niet bij. In een reactie op een brief van een wantrouwende lezer schreef Heimans: ,,Verzinnen doen wij niets, dat is immers ook helemaal overbodig. Soms is de natuur zo ongelooflijk wonderlijk, dat wij – populariseerders – niet eens de volle waarheid durven schrijven, uit vrees, dat ondeskundigen het voor fantasie zullen houden.''

Na de dood van Heimans werd Thijsse gevraagd om de rubriek 'Uit de natuur' voort te zetten. Hoewel nog steeds druk bezet, ging Thijsse op deze uitnodiging in. Tot 1938, hij was toen al 73 jaar oud, schreef Thijsse vrijwel wekelijks een stuk voor De Groene, in totaal ruim achthonderd artikelen.

De natuurcolumns van Heimans en Thijsse vonden veel navolging. In de jaren dertig beschikte vrijwel iedere krant over een `natuurfeuilleton'. De Telegraaf had in 1924 Jan P. Strijbos weten te strikken. Strijbos zou ruim veertig jaar voor deze krant blijven schrijven. Andere bekende natuurcolumnisten uit het verleden waren onder anderen Rinke Tolman, Kees Hana en Jan Nijkamp. Dankzij al die natuurcolumns is de natuur in Nederland niet langer onbekend en onbemind.