Op reis met de Romeinen

Het laatste nummer van Hermeneus, het tijdschrift voor antieke cultuur, behandelt een fascinerend onderwerp: reizen in de oudheid. Hoe deden mensen dat, in 30 na Chr., van Rome naar Nice gaan? Wat moeten we ons eigenlijk voorstellen bij de Romeinse wegen, waar kon je onderweg verblijven en wat waren dat voor soorten verblijven?

Fik Meijer, die onlangs een boek publiceerde over de zeereis van Paulus naar Rome, doet in dit nummer uitgebreid uit de doeken hoe zeereizen in de Romeinse tijd toegingen. Vooral de route van Rome, dat wil zeggen van de haven Ostia, naar Alexandrië was druk bevaren. Reizigers die naar Alexandrië moesten, konden tijdens het vaarseizoen (de zomer) geregeld vertrekken, maar ook degenen die een andere haven langs de Middellandse Zee wilden aandoen konden in Ostia passage boeken op een vrachtschip. Er werd met verschillende soorten en maten schepen gevaren, van mammoetgraanschepen, die een laadvermogen van meer dan 1.000 ton konden hebben en soms wel 120 meter lang waren, tot geroeide koopvaarders of kleinere zeilschepen.

Wat het comfort aan boord betreft moest men niet al te hoge eisen stellen. ,,Voor de gemiddelde passagier kan de overtocht geen onverdeeld genoegen zijn geweest'', schrijft Meijer. Reizigers namen zelf hun voedsel mee en sloten een contract af waarin stond dat ze drinkwater zouden krijgen en een plek om hun eten klaar te maken. Dat laatste moet onder normale omstandigheden al niet gemakkelijk zijn geweest, maar bij harde wind moet het vrijwel onmogelijk zijn geweest, aldus Meijer. De drinkwatervoorziening was trouwens ook beperkt.

Het reizen over land was zeker niet comfortabeler. Karren en wagens hadden over het algemeen geen vering, en hoe mooi de Romeinse wegen ook waren – in Hermeneus zijn lyrische beschrijvingen en adembenemende foto's te vinden – hobbelig waren ze natuurlijk wel. Daar kwam nog het niet denkbeeldige gevaar van rovers bij, waar Anton van Hooff een levendig stuk over schrijft. Aan de hand van de talloze uitdrukkingen en dromen waarin rovers een rol spelen laat hij zien hoe gewoon dat verschijnsel geweest moet zijn. Misschien net zoiets als nu zakkenrollers in de trein. Maar de rovers waren wat gevaarlijker – hooggeplaatsten die iemand spoorloos wilden laten verdwijnen konden beweren dat hij door rovers was overvallen, dan kraaide er nooit meer een haan naar.

Informatief en aantrekkelijk om te lezen is ook het stuk van Wim Verbaal, waarin hij veelvuldig de Romeinse ambtenaar en dichter Rutilius citeert, die zijn reis van Gallië naar Rome bedichtte in de vijfde eeuw na Chr. Daaruit blijkt wel dat de bloeitijd van het Romeinse rijk voorbij was, en dat de wegen niet meer Rome's trots waren. Hij schrijft: ,,Ik koos de zee omdat te land geen weg begaanbaar/ is door overstroming of lawinepuin. / Toscane en de oude heerbaan naar het noorden/ zijn door Gotische benden met vuur en zwaard verwoest.'' Daar begint de grote verdwijning van een enorme beschaving al.

Dit nummer vertelt veel dat de moeite waard is om te weten en maakt nieuwsgierig naar meer, en naar het met eigen ogen aanschouwen. Een wandeltocht over de Via Appia lijkt na lezing wel het minste. Van de eenvoudigste pleisterplaatsen langs de wegen, die waar men slechts van paarden kon wisselen, is weinig over, van de meer herberg-achtige gebouwen bestaan soms wel resten. Er moet dikwijls een badhuis bij geweest zijn en een bakkerij, in een Zwitserse mansio zijn ook resten van wandschilderingen aangetroffen, dus wellicht waren sommige herbergen een soort luxehotels.

Gelukkig zijn er sporen en resten, archeologen die onderzoek doen en mensen die in Hermeneus verslag doen van wat er zoal bekend is. Een ideaal nummer om voor de vakantie, of erin, tijdens een snelle treinreis of in een gekoelde, van goede vering voorziene touringcar, te lezen.

Hermeneus jrg. 73, nr 2. Uitg. Ter Burg Offset, Alkmaar. Prijs ƒ 17,50.