Eerste ziekmelding is cruciaal voor WAO-aanpak

Terecht wordt in het WAO-rapport van de commissie-Donner gekozen voor werkhervatting als uitgangspunt van het beleid. Maar het meest probate middel om het aantal WAO'ers te verkleinen is een daling van het aantal ziekmeldingen, meent H. Philipsen.

Sinds de verschijning van het rapport over de WAO van de commissie-Donner staat het onderwerp weer hoog op de politieke agenda. Het is verstandig bij de WAO-problematiek onderscheid te maken tussen:

a. De omvang van de arbeidsongeschiktheid – het aantal uitkeringsgerechtigden als percentage van de beroepsbevolking;

b. De omvang van de lastendruk – de uitkeringssom als percentage van het nationaal product.

De daling van zowel a. als b. is groot, maar wel verschillend. De lastendruk is het sterkst teruggelopen en loopt nog steeds terug. Het aantal uitkeringsgerechtigden is minder sterk gedaald en de daling is bovendien enkele jaren geleden tot staan gekomen. Er treedt zelfs een lichte stijging op. Daaruit volgt dat de gemiddelde uitkering per WAO-gerechtigde sterk is gedaald. Dat betekent dat anno 2001 veel gerechtigden een lage uitkering krijgen onder meer door gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Dit is bij uitstek een situatie die `een bureaucratische puinhoop' schept. Het is daarom te begrijpen dat de commissie-Donner pleit voor een stelsel waarin alleen volledige afkeuring tot uitkering leidt. Dat is echter geen goed idee.

Het grote aantal WAO'ers is een unieke Nederlandse zaak. Werknemers in Nederland melden zich vaker ziek dan werknemers elders, en meer ziektegevallen duren ook langer. In een aantal gevallen zoveel langer dat intreding in de WAO het gevolg is. Maar Nederlanders zijn niet ongezonder dan anderen. Het gaat derhalve niet om een verontrustend medisch probleem, maar wel degelijk om een zaak van arbeidsongeschiktheid.

Hoewel men in het buitenland meer geld uitgeeft aan reïntegratie van arbeidsongeschikten, is het waarschijnlijk niet zo dat daar percentueel meer mensen weer aan het werk gaan na een langdurige afwezigheid. Daaruit volgt dat de hoge instroom in de WAO een gevolg is van de hoogte van het aantal ziekmeldingen.

Het is een goede zaak dat in het rapport-Donner principieel gekozen wordt voor werkhervatting als uitgangspunt van beleid. Men kan de zaak nog fundamenteler stellen: het meest effectief voor deverlaging van het WAO-volume is een vermindering van het aantal ziekmeldingen. Daar moet de aanpak op gericht zijn.

Er bestaat veel kennis over de omstandigheden waaronder mensen zich meer of minder ziek melden. Met kennis schiet men niet altijd veel op indien er veel oorzaken zijn. En het aantal factoren op grond waarvan men zich ziek meldt, loopt in de tientallen. De weerbarstigheid van de WAO-problematiek begint dan ook op de vroege morgen van een dag dat een werknemer niet de extra moeite kan opbrengen om bij ongerief en klachten op te staan en naar het werk te gaan. In beslotenheid wordt een individueel besluit genomen, dat echter in hoge mate voorspelbaar is met behulp van biologische, sociale, psychische en economische factoren. Een typisch Nederlands trekje hierbij is dat de ziekmelding behoort tot het nationale gedoogbeleid. Ik bedoel niet dat er iets crimineels mee aan de hand is. Wel dat de melding geheel op eigen verantwoordelijkheid rust en niet verantwoord hoeft te worden.

In het bijzonder zijn veel klachten van het bewegingsapparaat en psychische klachten aanvaarde gronden voor arbeidsongeschiktheid geworden. Het zou geen kwaad kunnen ook in Nederland meer sancties op de ziekmelding in te bouwen, die overigens wel moeten sporen met onze arbeidsverhoudingen. In 1972 heb ik in een advies aan de Sociale Verzekeringsraad voorgesteld elke eerste ziektedag als een snipper- of verlofdag af te boeken. Wat toen niet kon, valt nu wellicht te overwegen. Juist de toename van het aantal vrije dagen maakt zo'n maatregel uitvoerbaar. Het is noodzakelijk daarbij alle eerste ziektedagen te betrekken, `echte ziekte' of niet. De idee is niet zogenoemde baaldagen te creëren zoals men in 1972 ten onrechte meende. Het gaat erom het al of niet gaan werken tot een gebeurtenis van meer gewicht te maken en om de nadelige gevolgen van ziekte beter te verdelen tussen werkgever en werknemer, tussen individu en organisatie, tussen verzekerde en verzekeraar.

Het rapport-Donner besteedt veel aandacht aan de werkhervatting door reïntegratie van het werk. Het verontrustende van de lichte stijging van de laatste jaren is niet zozeer het kwantitatief effect, maar de omstandigheid dat het om nieuwe categorieën gerechtigden gaat. De oudere productiemedewerker uit de industrie voor wie op de arbeidsmarkt geen plaats meer is, is niet langer de modale WAO-intreder, maar een jongere werknemer, vaak vrouw, uit sectoren als het onderwijs, de zorg, de diensten, die het in de eigen arbeid niet bolwerkt. Voor deze mensen geldt in het bijzonder de karakterisering uit het rapport-Donner van de verdwijning in de WAO als een ongrijpbaar, pervers proces, dat ondanks goede bedoelingen leidt tot schade voor iedereen.

Nadenken over de nieuwe modale intreder in de WAO leidt ook tot twijfel over de wenselijkheid de volledigheid van de afkeuring tot criterium voor een WAO-uitkering te kiezen. Veel mensen hebben chronische aandoeningen die het hun moeilijk maken voor 100 procent te functioneren. Als de werkhervatting op maat moet geschieden, is er geen reden gedeeltelijke werkhervatting daarvan uit te sluiten. Ik heb begrip voor pogingen de uitkeringssom te willen beheersen, maar niet voor een regeling die gedeeltelijke reïntegratie van werknemers bemoeilijkt. Juist voor die groep werknemers is de nadruk van het rapport-Donner op werkhervatting een meer adequate aanpak dan een stelselwijziging.

De geldende regeling van de arbeidsongeschiktheid heeft kenmerken die verbeterd kunnen worden. Meer aandacht voor de primaire preventie van de ziekmelding en meer nadruk op de secundaire preventie van de werkhervatting zo snel mogelijk na de ziekmelding is noodzakelijk. Daarvoor hoeft het stelsel niet veranderd te worden. Bovendien heeft de Nederlandse variant ook voordelen. Nederlanders besteden weinig tijd aan collectieve arbeidsconflicten. Bij individuele problemen komen wij eerder bij de huisarts terecht dan bij de advocaat.

De Nederlanders blijven liever ziek thuis dan op het werk anderen voor de voeten te lopen. Wij zijn goed in absenteïsme, maar slecht in presenteïsme. Het rapport-Donner kan bijdragen, ook zonder grootschalige stelselwijziging, aan een verandering in de richting van wat minder absentie en wat meer presentie van alle betrokkenen.

Prof.dr. H. Philipsen is emeritus hoogleraar Medische Sociologie aan de Universiteit Maastricht.