`Volgend kabinet moet blijven aflossen'

Een volgend kabinet moet de nadruk leggen op verdere aflossing van de staatsschuld. Jaarlijks zal tussen de 13 en de 18 miljard gulden (een overschot van 1,25 tot 1,75 procent) van het bruto binnenlands product) op deze manier moeten worden besteed, om de komende lasten van de vergrijzingsgolf op te vangen.

Dat adviseert de Studiegroep Begrotingsruimte in het vandaag gepresenteerde advies Stabiel en duurzaam begroten. De studiegroep van topambtenaren levert traditiegetrouw de basis aan voor het begrotingsbeleid voor een nieuwe regeerperiode.

De kosten van de vergrijzing nemen de komende decennia enorm toe, doordat de zogenoemde babyboom-generatie met pensioen gaat. Als er geen maatregelen genomen worden, zal in 2040 een tekort van ruim 4 procent op de begroting ontstaan, wat volgens de studiegroep een onevenredig grote last voor toekomstige generaties betekent. Aflossing van de staatsschuld, waarvan de rentelasten nu jaarlijks ook voor ongeveer 4 procent op de begroting drukken, kan het vergrijzingsprobleem goeddeels oplossen.

De studiegroep adviseert de huidige begrotingsregels (de `Zalmnorm') grotendeels in stand te houden. Wel behoeft deze stricte scheiding tussen inkomsten en uitgaven op een aantal punten aanpassing. Zo wil de studiegroep inkomstenmeevallers in principe ten gunste laten komen van verdere aflossing van de staatsschuld. Over de totale lastenverlichting in de volgende kabinetsperiode worden, net als over de uitgaven, in het regeerakkoord afspraken gemaakt.

De economische groei voor de komende periode zal volgens de studiegroep 2,5 procent per jaar bedragen. Om te voorkomen dat een komend kabinet bij tegenvallende economische groei veel tegenvallers te verwerken krijgt, is een kleine onzekerheidsmarge ingebouwd van 0,25 procent.

Door de studiegroep is rekening gehouden met een stijging van de lonen in de markt van 1,5 procent per jaar.

Ook de kosten voor de gezondheidszorg, die in het vorige regeerakkoord met 2 procent per jaar mochten groeien, zijn naar boven bijgesteld, naar 3,5 procent groei per jaar.