Toezicht op salarissen bestuurders moet beter

Te gretig graaiende bestuurders tot de orde roepen valt in de praktijk niet gemakkelijk te realiseren. Toch is toezicht de enige effectieve remedie tegen het schaamteloos najagen van eigenbelang, meent Tom Nierop.

In de hernieuwd opgelaaide discussie over de gestegen beloningen van Nederlandse topmanagers worden de termen (top-)manager en ondernemer door elkaar gebruikt. Dat is jammer, want het verhult de fundamentele verschillen in positie en houding tussen deze groepen. Juist in deze kwestie zijn die verschillen cruciaal en in hoge mate bepalend voor het graaigedrag dat tot zoveel commotie leidt.

Het verschil tussen een ondernemer en een bestuurder of topmanager betreft veel meer dan alleen het etiket. Het gaat om mensen met een fundamenteel verschillende positie en daarbij behorende belangen.

Ondernemers zijn, het woord zegt het al, ondernemend. Ze zijn vaak eigenzinnig en hebben er voor gekozen om eigenhandig en voor eigen risico een bedrijf op te zetten en tot een succes te maken. Bij mislukking volgt financiële tegenslag of zelfs faillissement. De uitbouw en continuïteit van hun bedrijf staan voorop, ze zijn zeer betrokken bij de `eigen zaak' en hun persoonlijk belang valt samen met het langetermijnbelang van de onderneming. Aan het eind van de rit kan de waarde daarvan immers op een of andere wijze worden geïncasseerd.

Managers en topbestuurders daarentegen zijn, los van hun wellicht overvloedige kwaliteiten, één ding in elk geval niet, en dat is ondernemer. Ze nemen in hun werk weliswaar risico's, maar met andermans geld. Bestuurders van grote ondernemingen zijn werknemers, zij het de enige die zich aan de onderhandelingstafel werkgever mogen noemen. Ondernemend zijn ze doorgaans niet, anders hadden ze niet gekozen voor het tree voor tree bestijgen van de hiërarchische ladder bij bestaande organisaties. Het succes van het bedrijf waaraan ze leiding geven is in de eerste plaats een middel tot het eigenlijke doel: een glansrijke persoonlijke carrière.

Anders dan bij een ondernemende directeur-eigenaar vallen bedrijfsbelang en persoonlijk belang van een topmanager niet noodzakelijk samen. Het bedrijf is immers niet hun eigendom, dus de waarde komt uiteindelijk niet naar ze toe.

Dat is in de praktijk dagelijks te zien. Wanneer een ander bedrijf beter betaalt of een aantrekkelijker positie biedt, job-hopt de (top)manager vrolijk verder naar de volgende `uitdaging'. De korte termijn van het persoonlijk succes prevaleert uiteindelijk boven het langetermijnbelang van de onderneming.

Dat is allemaal niet erg. Sterker: de zorg voor de eigen portemonnee is volstrekt menselijk. Maar bij het beoordelen van het gedrag van de desbetreffende functionarissen, en het vertrouwen dat in hen wordt gesteld, moeten die persoonlijke belangen nooit worden vergeten, zeker gezien de machtsposities die ze binnen `hun' bedrijven bekleden.

Topmanagers zijn niet slechter dan andere mensen, maar ook niet beter. De doorsnee burger is, als de pakkans of het risico te worden gecorrigeerd ontbreekt, graag bereid zijn gedrag te modelleren naar zijn eigen belangen, ook al betekent dat het overtreden van regels, het (indirect) benadelen van anderen of het in het harnas jagen van anderen.

Wie zeker weet er mee weg te komen, vergeet al snel zijn strippenkaart af te stempelen of verzuimt bepaalde inkomsten op te geven aan de fiscus. Met het gedrag van topbestuurders is het niet anders. Waar de kans op correctie nihil is, prevaleert – ondanks alle fraaie verklaringen – het eigenbelang en regeert mateloosheid. Hoe onpersoonlijker de omgeving, hoe onbeschaamder het graaien.

Veelzeggend is een onlangs in het VNO-NCW-blad Forum gepubliceerd overzichtje van de geïncasseerde verhogingen. Daaruit blijkt: hoe groter het bedrijf – lees: hoe anoniemer de organisatie en hoe minder `ondernemer' de bestuurders – des te hoger de stijgingspercentages.

Er is maar één oplossing om tot acceptabeler verhoudingen en gedrag te komen: verbeter het toezicht. Dat ligt deels bij de aandeelhouders. Zij kunnen in beginsel nee zeggen tegen een buitenproportionele salarisverhoging van het bestuur.

In de praktijk komt daar echter niet veel van terecht. Nog los van beschermingsconstructies die de macht van aandeelhouders bij veel ondernemingen aan banden leggen, staan aandeelhouders te ver af van de onderneming en is de betaling van de topmannen in het licht van de financiële belangen van de aandeelhouders van te gering gewicht.

Bij structuurvennootschappen zou de toezichthoudende raad van commissarissen te gretig graaiende bestuurders moeten corrigeren. Het functioneren van die organen laat echter zoals bekend nogal eens te wensen over.

Daar komt bij, zeker voor dit onderwerp, dat veel commissarissen lid zijn van hetzelfde goedbetaalde old boys network als de bestuurders op wie ze toezicht moeten houden. Geen wonder dat de bestuurders in deze veilige omgeving de jaarlijkse publiciteit over hun salarisverhogingen met een gerust hart over zich heen laten komen.

Toch is toezicht, net als sociale controle in het dagelijks leven, de enige effectieve remedie tegen het huidige schaamteloos najagen van eigenbelang. Mogelijk biedt het door het kabinet omarmde SER-advies over herziening van het Nederlandse structuurregime enig uitzicht op meer afgedwongen terughoudendheid. Een van de door het kabinet ondersteunde voorstellen betreft het recht van ondernemingsraden om eenderde van de commissarissen `bindend' voor te dragen.

Zonder van die `werknemerscommissarissen' onmiddellijk alle heil te verwachten, mag worden aangenomen dat deze meer oog zullen hebben voor financiële verhoudingen tussen de top en de rest van het bedrijf dan de huidige gezelschappen van gelijkgestemden met overeenkomstige belangen.

Dr T. Nierop is freelance journalist.