Woordgelovig

Laatst ging ik een baby begroeten. Dat is een aardige sociale gewoonte, en tegelijkertijd denk ik vaak dat het van een verreikende betekenis is, het welkom gaan heten van een nieuwkomer, die alles nog moet leren wat wij ook niet weten. Het gebeurt wel eens meer, als je zo'n kakelvers mensje ziet, dat het je ineens treft als zo weinig, zo alleen maar een beetje leven dat door een nog piepklein lichaam trekt en armpjes doet bewegen, klaaglijke geluiden voortbrengt, maant tot eten, poepen, slapen. `Zó deerlijk' dacht ik ineens met Ida Gerhardts gedicht `Psyche': ,,Eén vleugel nog in de cocon/ en één, gekreukeld, die gaat gloeien./ Ik wist niet dat het zó begon,/ zó deerlijk '' Het gaat over een vlinder die zich uit de cocon worstelt, maar het gaat ook over een ziel, die zich bevrijdt, of bevrijden wil.

Maar wat betekent dat in 's hemelsnaam: een ziel die zich bevrijden wil?

De oudere dichters lezend, en die hoeven nog niet eens zo erg lang geleden geschreven te hebben, Ida Gerhardt is nog maar net dood, gebeurt dat wel vaker, dat zo overduidelijk wordt hoeveel taal, hoeveel woorden niet alleen, maar ook manieren van zeggen, we verloren hebben. Het woord `deerlijk'. Het woord `ziel'. `Heilig'. `Zuiver'. Hu, zelfs het opschrijven heeft al iets kleverigs. We weten nog wel wat die woorden betekenen, althans, we weten nog wel dat ze voor de vroegeren, die ze nog vrijelijk konden gebruiken, iets betekenden, maar ze zijn nu onbruikbaar geworden.

En niet alleen die woorden rammelen wat blikkerig in hun zinnen, een hele manier van uitdrukken is weg, of ouderwets geworden. Dat is, het is vervelend om dat alweer te zeggen, gekomen door het postmodernisme. En dat heeft geen schuld, dat zou mal zijn, om een inzicht de schuld te geven dat het oude er anders door is geworden. Maar wel is het oude wat al te rigoureus overboord gezet. Waardoor veelbetekenende woorden en manieren van zeggen door ons bijna betekenisloos worden gevonden, of veel te pathetisch. J.H. Leopold schrijft in zijn `Oinou hena stalagmon' (Van wijn een druppel) ,,een enkle pereling/ doordringt de gansche helderheid en deelt/ haar wezen mee aan verre stranden''. Nog afgezien van die `pereling' die geheel uit ons idioom is verdwenen, en dat wij niet meer zouden kunnen, durven zeggen `de ganse helderheid', is er de kwestie van `het wezen'.

Ik hoor nog de docenten tijdens mijn studietijd met een vies gezicht het woord `wezensdenken' uitspreken. Het wezen bestaat niet. Dat hoort niet te bestaan. De dingen hebben geen wezen, en de mensen ook niet, en niks niet. Oppervlakte hebben we, en verder niets. Dus betekenen die regels van Leopold ook zo goed als niets meer.

Toch willen sommige mensen het woord ziel gebruiken. Een wezen hebben. Iets heilig vinden. Opgaan in iets, één worden, meewerken met ons onbekende bedoelingen. Voelen ze zich geraakt door zinnen die niet meer kunnen bestaan.

Twee van dezulken las ik onlangs. De ene is de Poolse dichter Adam Zagajewski die in het tijdschrift Nexus (nr. 28), `De verdediging van de geestdrift' schreef. Juist! Weg met de ironie, leve de geestdrift. Iedereen heeft tabak van die eeuwige ironie. Ooit boog een modieuze intellectueel, verliefd op een van mijn vriendinnen, zich zorgelijk naar mij over en bekende: ,,Ik kan niet meer tegen iemand zeggen `ik hou van je' want dat is te vaak gezegd. Ik citeer dan en ben dus ironisch. De taal heeft haar onschuld verloren.'' Pff. Te veel Eco gelezen. Wel gaan geloven in het postmodernisme, maar niet in wat hij zelf voelde. Of voelde gewoon zelf niets, babbelde maar wat.

Geef mij maar geestdrift.

De andere die de oude woorden en de oude verlangens verdedigde was de dichter C.O. Jellema, in zijn Eckhardt-lezing die afgelopen zaterdag door Trouw werd afgedrukt. Hij heeft weet van de problemen die verbonden zijn aan het gebruik van woorden als `schoonheid' of `het ware leven', woorden waarvan we, evenmin als van alle andere woorden trouwens, niet kunnen zeggen ,,of zij gefundeerd zijn in iets als een buitentalige werkelijkheid'' zoals Jellema schrijft. Maar hij heeft geen zin om te doen alsof die woorden voor hem niets meer betekenen, alsof ze hem niet raken in `iets binnenin'. Hij wil verder gaan dan het vaststellen van het probleem, verder dan zeggen dat we zelf iets zullen moeten doen om die woorden weer bruikbaar te maken. Hij máákt ze bruikbaar. Hij laat zien dat ze iets kunnen betekenen, zelfs al komen ze uit een wereld waarin ze een vanzelfsprekendheid hadden die verloren is gegaan.

Hij schrijft iets heel moois: ,,Ik wil woordgelovig zijn.'' De woorden richten het verlangen naar een manier van leven die je alleen maar door die woorden kunt benoemen. `Het ware leven'. Wat het ook mag zijn, je zou het wel willen leiden. Je zou hopen dat zo'n baby het gaat leiden.

Dat hoeft allemaal niet heel onthecht te zijn – we zouden niet eens kunnen. Zagajewski heeft het over het altijd `halverwege' zijn van de mens, tussen het verhevene, het transcendente, het geheim, en het aardse, dagelijkse, vaste en zekere. ,,Na de ervaring van de epifanie, het schrijven van het gedicht, gaan we naar de keuken en vragen we ons af wat we vanavond zullen eten.''

Gelukkig ook maar. Die heen en weer beweging is juist mooi. Daardoor kunnen we naar een baby kijken en zowel aan poepluiers als aan de ziel denken. We kunnen lezen hoe Ida Gerhardt God vergiffenis vraagt omdat ze gekeken heeft naar de worstelende vlinder die `vrij wilde en niet kon', en iets binnenin wordt hevig geraakt door haar slotzin `Het was een schepsel in uw licht'. En daarna zetten we koffie, lekker, en ook graag een koekje, en wat regent het buiten toch in de heerlijk geurende wereld waarin de verschrikkelijkste dingen gebeuren.

Laten we er nog maar wat woorden tegenaan gooien en proberen daarin te geloven.