Tómasson is eigen en elegant

De Engelse dichter Dylan Thomas (1914-1953), die in een muzikaal aansprekend ritme de natuur, de liefde en de dood bezong, stelde eens dat de enige waardige houding voor een kunstenaar er een is tussen twee stoelen in – los van het houvast van welke heersende mode ook. Het concert van het IJslandse Caput Ensemble – zeven blazers, vijf strijkers, piano, klavecimbel en slagwerk – viel zaterdagavond in het Concertgebouw uiteen in twee delen, één slecht en één opmerkelijk goed.

Voor de pauze heersten componisten die op pijnlijke wijze niet konden kiezen. Hun muziek klonk ofwel geiser-achtig ruw, ofwel glad, als een fluvioglaciaal strand gevuld met nietszeggende tremolo's. Na de pauze veranderde de sfeer, en was ook het ensemble opeens vele malen beter op dreef in het Concerto voor viool en kamerorkest (1997) van Haukur Tómasson.

Tómassons muziek straalt persoonlijkheid uit. Zijn Concerto heeft richting en logica, klinkt nergens verbrokkeld en staat los van elke heersende mode. Haukur Tómasson (1960) – niet te verwarren met zijn eveneens componerende broer Jonas (1946) – studeerde in Reykjavík bij Alti Heimir Sveinsson, in Amsterdam bij Ton de Leeuw en in San Diego bij Brian Ferneyhough. Die achtergrond wordt weerspiegeld in Tómassons muziek, waarin de elegantie van De Leeuw samengaat met het detailgevoel van Ferneyhough.

Het ruige eerste deel van Tómassons Concerto voor viool en kamerorkest zet de luisteraar aanvankelijk op het verkeerde been, want in de overige delen betoont Tómasson zich vooral een prachtlievend componist. Elegant suist het Scherzo voorbij, overgaand in een aansprekend lyrisch deel. Daarbij valt op dat de belangrijkste gegevens niet door een solo-instrument, maar door heterofone groepen worden aangedragen. Het laatste spektakeldeel overtuigt het minst.

De wereldpremière van Of Stones (2001) van Sveinn Bjornsson ging aan Tómassons Concerto vooraf. Het overzichtelijke en beknopt gehouden werk deed de niet geringe capaciteiten van het Caput Ensemble goed uitkomen, hoewel de bezetting voor de Kleine Zaal van het Concertgebouw helaas tè groot was. Maar Of Stones haalde het niet bij Tómassons Concerto. Dat bleek veruit het beste stuk van de avond, met Sigrun Edvaldsdottir – een soort wilskrachtige Vera Beths – als een fenomenaal soliste.

Wat je van de IJslanders ook wilt beweren, aan energie hebben ze geen gebrek. Stoelen, vloer en instrumenten kraakten vervaarlijk in de tot slot gespeelde Icelandic Rap (1998) van Atli Heimir Sveinsson (1938): een dronken makende uitsmijter, die nog het meeste enthousiasme losmaakte bij de met landgenoten gevulde zaal.

Concert: Caput Ensemble. Gehoord: 16/6 Concertgebouw, Amsterdam.