Onderwijsakkoord `aardige inhaalslag'

Door een combinatie van algemene salarisverhogingen en specifieke maatregelen moet het werk voor de klas weer aantrekkelijk worden, zo werd vrijdag bekend. Maar zijn de maatregelen niet te algemeen?

Alle partijen reageerden vrijdag enthousiast op de nieuwe CAO in het onderwijs. Het grootste gedeelte daarvan gaat naar salarisverbetering. Vooral onderwijspersoneel dat nog niet aan het maximum zit, en dat is zeventig procent van het basisschool-personeel en vijftig procent in het voortgezet onderwijs, gaat er flink op vooruit.

Volgens minister Hermans van onderwijs is het geld goed besteed. Toch pleitte de liberale bewindsman eerder tegen algemene loonrondes, en beklemtoonde hij het belang van specifieke maatregelen zoals prestatie-beloning en het aantrekken van onderwijsondersteunend personeel om de werkdruk voor onderwijzers en leraren te verlichten.

Op dit punt vond hij echter de Algemene Onderwijsbond (AOb) tegenover zich. AOb-bestuurder Ton Rolvink: ,,Als Hermans dat had volgehouden zou in september het Malieveld vol hebben gestaan. We kunnen, nu er na vijftien jaar eindelijk geld komt, niet onze achterban gaan vertellen dat sommige mensen daar niets van zullen zien.''

Volgens Rolvink zou het ook niet mogelijk zijn het geld alleen maar te besteden aan specifieke maatregelen: ,,We kunnen best alleen kiezen voor bijvoorbeeld klassenverkleining, maar ik zou niet weten waar we het personeel vandaan moesten halen om daar invulling aan te geven. Dat is er niet. Juist daarom moet het leraarschap ook financieel aantrekkelijker worden. Dit is een aardige inhaalslag, maar we zijn nog lang niet concurrerend met het bedrijfsleven.''

In het onderwijs zelf is men er echter niet van overtuigd dat alleen betere lonen de belangen van het onderwijs dienen. Kees Timmers bijvoorbeeld, basisschooldirecteur in Blaricum en één dag per week Pabo-docent, zit helemaal niet te wachten op mensen die alleen door het geld worden aangetrokken: ,,Het onderwijs moet vooral een idealistisch vak blijven. Toch was mijn eerste reactie op dit akkoord: `eindelijk', want we liepen op loongebied wel erg achter. Het is vooral ook een heel goed signaal naar Pabo-leerlingen, want het baart me veel zorgen dat de inschrijvingen dalen. Uiteindelijk gaat het toch om de combinatie van een mooi vak en een behoorlijk salaris.''

Behalve algemene loonsverhogingen bevat de onderwijs-CAO een aantal specifieke maatregelen die Onderwijs aantrekkelijker moeten maken voor bijvoorbeeld herintreders. Zo blijkt al enige jaren uit internationaal vergelijkende OESO-rapporten dat Nederland een zeer behoorlijk startsalaris biedt, maar dat groei langzaam verloopt. In het oude systeem duurde het ogeveer 22 jaar voordat onderwijspersoneel in de hoogste schaal kon komen. Dat traject is nu met drie tot vier jaar verkort.

Daarnaast kunnen herintreders na een paar jaar een beoordeling van de school vragen. Als blijkt dat zij hetzelfde didactische niveau als hun collega's bereikt hebben, komen zij ook op hetzelfde salarisniveau. Ook leraren in opleiding (lio`s), vierdejaars pabo-studenten, die een paar maanden volwaardig op een basisschool meedraaien, krijgen een hoger salaris.

Een andere maatregel om de `concurrentiekracht' van Onderwijs op de arbeidsmarkt te vergroten is de functiedifferentiatie die in het basisonderwijs vorm gaat krijgen. Scholen kunnen voor personeel verantwoordelijke functies creëeren met een hoger salaris. Want mogelijkheden om in het basis-onderwijs een andere functie te krijgen dan of directeur of leerkracht waren er niet, of slechts mondjesmaat. Zo heeft John van Seumeren, basisschooldirecteur aan de Minister Calsschool in Naarden, iemand in het team die de ondersteuning aan zorgleerlingen coördineert. Van Seumeren:,,Daar zou ik toch wel erg graag een aparte functie voor creëeren, met duidelijke omschrijving en betaling. Dit is toch wat anders dan het voorbereiden van Kerst en Sinterklaas.''

Van Seumerens oordeel is dan ook positief. ,,Het vak van leraar wordt hiermee op verschillende manieren aantrekkelijker, al blijft het afwachten of er daadwerkelijk meer mensen voor het onderwijs zullen kiezen.''