Loonmatiging kan alleen bij een allesomvattend akkoord

Werkgevers, werknemers en overheid treffen elkaar vandaag in het traditionele voorjaarsoverleg. De roep om loonmatiging is weer niet van de lucht. Een dergelijk verzoek is echter pas reëel bij een akkoord waarbij alle betrokken partijen wat hebben te verdienen, vindt Kris Douma.

De inflatie stijgt, de concurrentiepositie verslechtert en de economische groei loopt terug. De Nederlandsche Bank in de persoon van Nout Wellink waarschuwt voor een te hoge loonontwikkeling. Ministers bevestigen dat voorzichtigheid is geboden om een loon-prijsspiraal te voorkomen.

Ferd Crone, financieel woordvoerder van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer, en anderen pleiten voor een nieuw akkoord van Wassenaar. Maar `Wassenaar' bevatte elementen voor alle betrokken partijen, werkgevers, werknemers en overheid. Alleen maar vragen om loonmatiging kan dus nooit voldoende zijn voor een nieuw akkoord. Er zal een akkoord moeten komen met voor ieder wat wils. Want er is niet langer één overheersende wens, zoals eerder de 36-urige werkweek, die werknemers willen realiseren in ruil voor een beheerste loonkostenontwikkeling. Diversiteit is geboden en dat maakt het niet eenvoudiger, hoezeer het ook gewenst is te zorgen voor behoud van de Nederlandse concurrentiepositie.

Macro-economisch zijn er, naast negatieve ontwikkelingen zoals het inflatiecijfer en een afnemende economische groei, ook signalen die op groen staan. Voorbeelden zijn de daling van de werkloosheid, het wegwerken van het begrotingstekort, de uitgaven- en inkomstenmeevallers, de opgebouwde pensioenbuffer tegen de kosten van de vergrijzing en de consumptieve bestedingen die op niveau blijven.

De stijging van de contractlonen met circa vier procent is aanzienlijk. In combinatie met andersoortige loonafspraken die in CAO's worden gemaakt, zitten de loonafspraken aan de bovenkant van de marges van wat verantwoord is. Maar de vraag is of er reden is tot paniek en zo ja, of er in deze krappe arbeidsmarkt en met deze inflatie een uitweg is.

Naast het loon zijn er enkele onderwerpen die werknemers, de leden van vakorganisaties die een stem hebben in het CAO-beleid, belangrijk vinden. Dat is het combineren van werk en privé (arbeid en zorg), werkdruk, de eigen loopbaanontwikkeling en meer keuzevrijheid in arbeidsvoorwaarden en arbeidstijden. Daarnaast zijn belangrijke verbeteringen gewenst in de sociale zekerheid (individualisering van de bijstand, economische zelfstandigheid voor iedereen die beschikbaar is voor betaalde arbeid, betere sociale zekerheid voor flexwerkers), veiligheid, modern openbaar vervoer, milieu, het onderwijs en de zorg.

Deze wensen van werknemers lenen zich echter maar voor een deel voor vertaling in CAO-eisen die een alternatief kunnen bieden voor het loon. Ferd Crone doet de suggestie dat in een nieuw `Akkoord van Wassenaar' ruimte vanuit de CAO moet worden vrijgemaakt voor investeringen in de publieke sector. Dit lijkt me een vreemd idee. Immers, de politiek is zelf als eerste in staat om op die terreinen de investeringen te vergroten. Binnen de grenzen van de Zalmnorm kan de overheid beter zelf in onderwijs en zorg investeren dan eerst zeven miljard lastenverlichting uitdelen en daarna vragen aan werknemers om dat via CAO-onderhandelingen en een nieuw `Wassenaar' alsnog aan onderwijs en zorg te besteden.

Maar investeren in onderwijs is niet alleen een zaak voor de overheid. Immers, ook de scholing van werkenden blijft achter. De scholingsinspanningen van de bedrijven richten zich nog steeds vooral op de huidige of (voor enkelen) de naasthogere functie. Er is een veel ruimhartiger scholing- en loopbaanbeleid gewenst: zowel vanwege de wens de krapte op de arbeidsmarkt te verkleinen, als vanwege wensen van werknemers. De krapte op de arbeidsmarkt vereist ook een ruimhartige toekenning van allerlei soorten van betaald zorgverlof, juist om extra aanbod van vooral vrouwen op de arbeidsmarkt te bewerkstelligen. Deze onderwerpen, samen met terugdringen van werkdruk en vergroten van keuzevrijheid van werknemers, zijn de onderwerpen van 2001. Niet de 32-urige werkweek, ook geen arbeidstijdverlenging, maar een diversiteit aan wensen.

De krapte op de arbeidsmarkt, de hoge inflatie en het `kleptocratengedrag' van topmanagers maken dat écht meer nodig is. Wil een nieuw akkoord kans van slagen hebben, dan zal het ten minste de volgende elementen moeten bevatten. Ten eerste een gezamenlijke inspanning van sociale partners (voor werkenden) en overheid (voor jongeren en werkzoekenden) op het terrein van onderwijs. Dit zal ertoe moeten leiden dat Nederland met zijn onderwijsuitgaven op het OESO-gemiddelde van zes procent komt.

Ten tweede is een grootscheepse investering noodzakelijk van werkgevers in betaalde verlofvormen voor zorg. Ten derde een beleid gericht op gezond werken, vermindering van werkdruk en voorkomen van arbeidsongeschiktheid. Ten vierde een forse investering in de kwaliteit van het sociaal beleid in ondernemingen waardoor de keuzevrijheid van arbeidsvoorwaarden en arbeidstijden niet in papier blijft steken.

Ten slotte moet het overheidsbeleid gericht worden op economische zelfstandigheid door invoering van een negatieve inkomstenbelasting (de zogeheten tax-credit) en investeringen in onderwijs en zorg. Zo'n akkoord moet echte verbeteringen bevatten voor individuele werknemers met diverse wensen. Een oproep tot `voorzichtigheid' in de looneisen die niet gepaard gaat met een aansprekend alternatief, is niet meer dan verplaatsing van lucht.

Kris Douma is hoofd van de advies-groep van FNV Bondgenoten.