Foremans kunstje laat onverschillig

Het is een onwerkelijke wereld die de New-Yorkse toneelschrijver/regisseur Richard Foreman oproept in zijn voorstelling Now that communism is dead my life feels empty!, die dit weekeinde op het Holland Festival was te zien. Veel beelden zijn onnavolgbaar, of in ieder geval moeilijk te duiden. Het overladen podium is afgescheiden door een glazen wand waarop onleesbare, met de hand geschreven tekstflarden zijn gekrabbeld. De inrichting van het decor bestaat uit een verzameling lampenkappen, schoolborden, kussens, bergen met proppen papier en muren behangen met foto's en krantenpagina's.

Het geheel oogt bizar en tegelijk heb je geregeld een gewaarwording als in een droom waarin dingen verraderlijk vertrouwd kunnen lijken. Is die foto niet een portret van Marx en dat hoofd daarnaast, is dat niet ook een Russische grootheid? En dan zijn er al die rode vlaggen: evenals de andere rode accenten in het door zwart, wit en grijs gedomineerde toneelbeeld moeten het, gezien de titel, verwijzingen zijn naar het communisme.

In dit communistische universum past ook de sonore, Big Brother-achtige stem die bij tijd en wijle vanuit het niets de voorstelling interrumpeert. Herhaaldelijk verklaart hij het communisme dood, of hij schrikt de personages op met waarschuwingen als: `I'm losing control' en `there will be no Paradise here on Earth, my friend'. Hoe nu? Is het allemaal toch niet zo eenduidig als het aanvankelijk scheen?

De ironie ligt er dik bovenop in Foremans theatrale collage, maar welke kant hij ermee op wil blijft vaag. Het door hem zelf geregisseerde stuk is geen politiek pamflet, toch lijkt het een bewering te willen doen over ideologieën in het algemeen en in het bijzonder over het verdwijnen van de communistische idealen. Idealisme heeft plaats gemaakt voor geestelijke leegte, stelt Foreman, en de dolende mens van nu is een hulpeloze speelbal.

Hij wordt opgeslokt door de consumptiemaatschappij en ingepalmd door degene die zich voordoet als de Messias of door duistere krachten waar hij geen vat op heeft. Zo zijn Fred en Freddie, de twee groteske hoofdrolspelers in het stuk, vaak omgeven door vijf gesluierde danseressen en een danser die hen vastbinden en weer losmaken en die hen met allerlei poppen en afgodsbeelden proberen te verleiden.

Met hun lange haren hebben ze iets van overjarige rockers. De een (Fred/Jay Smith) valt op door zijn idiote opgezwollen romp, de ander (Freddie/Tony Torn) door het steeds aanfloepende rode lampje op zijn haarband. Traag en lijzig wisselen ze onbenulligheden uit, steeds weer dezelfde, alsof ze onmiddellijk vergeten wat ze zeggen. Ze laten zich daarbij niet van de wijs brengen door het telkens opnieuw aanzwellende lawaai van brekend glas en de kogelregens uit een machinegeweer – na een korte pauze hervatten ze zonder verder commentaar hun verveelde dialoog.

Dat is grappig, in het begin, maar al gauw slaat hun verveling over op de toeschouwer. De wezenloosheid van de hele vertoning begint zich tegen de voorstelling te keren. De avant-gardekunst van Richard Foreman en zijn Ontological-Hysteric Theatre is hier verworden tot een absurdistisch kunstje dat uiteindelijk niets verrassends meer heeft en voornamelijk een gevoel van onverschilligheid achterlaat.

Voorstelling: Now that communism is dead my life feels empty! door Ontological-Hysteric Theatre. Tekst, regie en muziek: Richard Foreman; spel: Jay Smith, Tony Torn, e.a. Gezien: Holland Festival, 15/6 Stadsschouwburg Amsterdam.